Omarm de chaos of hoe je de onderstroom kunt leren voelen en ernaar handelen – Jan Rotmans en Mischa Verheijden
We leven niet in een tijdperk van verandering, maar in een verandering van tijdperk. Jan Rotmans en Mischa Verheijden nodigen onderwijsleiders uit om de controlezucht los te laten en de chaos te omarmen. De echte transformatie vindt plaats in de onderstroom, waar nieuwe patronen ontstaan voordat ze zichtbaar worden in de structuur. Een inspirerend pleidooi om te leren varen op de onzekerheid en de kiemen van de nieuwe wereld te herkennen.
In 2018 mochten we Jan Rotmans, professor en internationale autoriteit in transitiekunde, verwelkomen op het EduNext leerfestival. Jan vertelde er dat we niet in een tijdperk van verandering leven maar in een verandering van tijdperk. Daarbij had hij het over drie ontwikkelingen die daartoe leiden: een nieuwe maatschappelijke ordening die van verticaal naar horizontaal loopt, een nieuwe decentrale, digitale, duurzame, glokale en circulaire economie en een transformatieve machtswissel. Jan heeft intussen niet stilgezeten en zette zich samen met Mischa Verheijden, EduNext sympathisant en mede-oprichter van re-story.be, opnieuw aan het schrijven. Het resulteerde in een prachtig boek dat wij voor jou hebben gelezen.
Tegen de spreadsheetsamenleving
De auteurs richten zich in het boek op de kern van de huidige wereldproblematiek: het kapitalistisch systeem. Er is volgens hen een reset nodig, een systeemtransitie. En die begint niet bij het systeem zelf of bij anderen maar bij onszelf. De systeemcrisis is een morele crisis en gaat over leiderschap, gericht op authenticiteit, kwetsbaarheid, verbinding en nederigheid. Dieper in onszelf zoeken wie we werkelijk zijn en een verbinding creëren tussen ons hoofd en ons hart. Radicale veranderingen zie je dan ook vaker bij mensen die een persoonlijke crisis hebben meegemaakt en die daarna het roer omgooiden. Nog te veel mensen hebben een illusie van machteloosheid. Ze denken dat de kleine acties die ze doen toch niet helpen. Wat baat het als jezelf duurzamer gaat leven als ondertussen grote bedrijven tonnen CO2 de lucht in pompen? Maar mensen maken systemen en systemen vormen mensen. Structuren bepalen mee het gedrag van mensen maar mensen kunnen ook structureel veranderen. Het gedrag van de mensen en de structuur van het systeem zijn met elkaar verweven en co-evolueren. Wie stationair denkt, onderschat zijn macht om veranderingen teweeg te brengen. Wie transformatief denkt, bereikt met wat hij doet misschien geen groot direct effect, het indirect effect kan dat wel zijn. Zo poneert Jan Rotmans de gewonnen Urgenda klimaatzaak tegen de Nederlandse als voorbeeld. Die primeur zorgde wereldwijd uiteindelijk voor 2000 klimaatzaken tegen regeringen. We kunnen allemaal activistischer worden.
Van koploper tot kantelaar
Om de transitie mogelijk te maken hebben we meer koplopers nodig, begeesterde mensen die ruimte creëren. Ze zijn inhoudsgedreven, zien de oplossing en kunnen zich niet voorstellen dat anderen het niet begrijpen. Ze lopen daardoor vaak te ver voor de troepen uit. Daarom hebben ze verbinders nodig die bruggen kunnen bouwen tussen ideeën, projecten en mensen. Ze koppelen het oude en het nieuwe aan elkaar. Vervolgens zijn ook bouwers en slopers belangrijk. Zij die iets nieuws bouwen en zij die het oude afbreken. Zonder slopen wordt alle ruimte nog steeds ingenomen door oude wetten, regels en instituties. Het kantelpunt ligt volgens de schrijvers op 25%. Dit wordt sneller bereikt onder invloed van kantelaars. Zij kunnen goed omgaan met weerstand, zijn strategisch sterk, hebben het vermogen om mensen te mobiliseren en kunnen een beweging op gang te brengen. Zo ontstaat een nieuwe orde. Het gedrag van mensen wordt immers sterk beïnvloed door hun sociale omgeving. Heel wat mensen, volgers, observeren anderen en creëren een beeld van wat normaal of passend is. Ze zijn ook belangrijk. Het zijn medestanders en meedenkers. Ze steunen vanuit een hoger doel, maar willen liever zelf niet in de spotlights staan. Ze opereren eerder op de achtergrond, zien waar gaten vallen en vullen die op.
“Welk type veranderaar ben je zelf?
Welke rol zie je voor jezelf ?
Welke rollen kun je niet vervullen maar heb je wel nodig? ”
Kijken met transitielenzen
Om naar diepe veranderingen in tijd, schaal en aard te kijken, geeft Jan Rotmans ons enkele lenzen mee die inzicht verschaffen in wat er gaande is en hoe dingen kunnen veranderen. Dit inzicht geeft in tijden van chaos rust. Zo kijk je bijvoorbeeld met een ontwikkelingslens anders naar ontwikkelingen in de tijd. De essentie is om voorbij de korte termijn te kijken, verder dan alledaagse gebeurtenissen zoals de beurskoers. Op middellange termijn gaat het over langzaam bewegende conjuncturele ontwikkelingen zoals handelsverdragen of privatisering. Op lange termijn (decennia) kijken we naar structurele ontwikkelingen of fundamentele veranderingen zoals de klimaatverandering. Dat is de onderstroom waar structurele veranderingen sluipenderwijs en onderhuids plaatsvinden. Daardoor blijven ze lang onzichtbaar. Ze zijn in de onderstroom al lang in voorbereiding en komen plots aan de oppervlakte en worden een golf. Kunstenaars voelen die meestal goed aan.
“De golven zijn de dagen
De dagen van het jaar
En het lijkt of zij vertellen
Hoe het met ons vergaat
Maar de onderstroom
Die niemand ziet
Bepaalt de richting
Op elk gebied”
Daarnaast is er ook een tijdslens. Hiermee kijk je naar de verschillende fasen in een transitie: een voorontwikkelingsfase, een ontwikkelingsfase, een kantelperiode en een doorontwikkelingsfase.
Tijdens de voorontwikkelingsfase gebeurt veel onder de radar, er wordt volop geëxperimenteerd en ogenschijnlijk verandert er niet veel. Eerst moet je je ervan bewust worden, dan ga je anders kijken, vervolgens ga je anders voelen en pas dan ga je ernaar handelen. Daarom verlopen paradigmaveranderingen heel traag.
In de tussentijd zitten we tussen ‘het is’ en ‘het zal’ en gaat het over de kracht van het ‘ertussenin’. In deze fase wordt het oude systeem afgebroken en het nieuwe opgebouwd. De afbraak gaat meestal trager dan de opbouw. Volgens de auteurs hebben we een institutionele stofzuiger nodig, een soort ministerie van afbraak. In de tussentijd waarin de chaos het grootst is en het onzeker is welke richting we opgaan, moet je juist de beslissingen nemen voor de komende decennia. Dat vergt veel moed en leiderschap.
Let op met een transitie te veel te sturen
Omdat een transitie complex en onzeker is, met veel bepalende factoren, kun je een transitie volgens Jan Rotmans en Mischa Verheijden niet sturen in de klassieke zin. Je kunt ze wel bijsturen door de snelheid en richting te beïnvloeden via van een geplande interventie van bovenaf of een spontane en decentrale verandering van onderop. De mengvorm is de best passende sturingsvorm. Het gaat dan over slim navigeren, meer bijsturen dan sturen en anticiperen. Geen project maar een doelzoekend proces. Het managen van complexe systemen is slechts mogelijk vanuit een dieper inzicht in de dynamiek ervan. Je moet de oorzaken van transities kennen en weten welke directe en vooral indirecte effecten interventies kunnen hebben. Bijsturen doe je vanuit een visie en een beïnvloedingsstrategie. Het is een cyclisch proces.
Het belang van taal
Het gaat bij een transitie om een omslag van waarden waarbij de grootste verandering plaatsvindt in ons bewustzijn en onze houding. De taal die je daarbij gebruikt is geen detail, het is een belangrijk onderdeel van het discours. Mensen zijn bijvoorbeeld geen cliënten, personeel of patiënten die je tot een economische productiefactor reduceert. Zo is onderwijs geen markt maar een publiek goed waarbij scholen niet met elkaar moeten concurreren maar juist samenwerken en op eigen kracht opereren. Waarbij je leerlingen ongelijk behandelt zodat je gelijkheid krijgt. Deze waardenomslag gaat gepaard met een denkomslag waarbij we het lineaire denken verlaten en vanuit een ander economisch en niet kapitalistisch paradigma gaan denken. De mens is een sociaal wezen dat in groepen functioneert, bij andere mensen hoort en door anderen wordt beïnvloed. Maar ook in balans leeft met de natuur en een onderdeel is van de wereldecosfeer.
Transitiekompas voor organisaties
Organisaties moeten zich als het ware opnieuw uitvinden. Ze moeten anders gaan denken (cultuur), zich anders organiseren (structuur) en anders gaan uitvoeren (praktijk, werkwijze). Anders denken gaat over verandering in houding en gedrag. Het gaat over ingesleten patronen en routines. Anders organiseren gaat over het opzetten van een nieuwe organisatiestructuur. Anders uitvoeren gaat om verandering van regels en procedures.
Er is geen recept of blauwdruk voor een transitie binnen een organisatie. Het is een zoektocht en in elke organisatie loopt dit proces weer anders. Je hebt wel een kompas voor die zoektocht:
- Leer van elkaar: steek je licht op bij anderen, begin met radicale experimenten en schaal vervolgens op. Er valt veel te leren, zeker van mislukte experimenten. Neem verbinders en doorvertalers mee op tour. Zij hebben het vermogen om een succesvol voorbeeld te vertalen naar de eigen context en contexten met elkaar verbinden.
- Neem niet iedereen in hetzelfde tempo mee. Volgens de schrijvers kun je een organisatie grofweg in vier groepen verdelen:
o 10% kan en wil veranderen
o 25% wil maar kan niet veranderen
o 25% kan maar wil niet veranderen
o 10% kan noch wil veranderen
Een grote groep zijn de meestribbelaars: ze veinzen enthousiasme maar zetten in werkelijkheid de hakken in het zand. Begin met een klein transitieteam (10 tot 15 koplopers en verbinders) dat er wel voor openstaat. Geef deze mensen tijd en ruimte en ontwikkel met hen een gedeeld perspectief op de toekomst. Betrek daarna een grotere groep mensen die openstaat voor verandering maar nog niet goed weten hoe. Verbreed zo het transitieteam en breid stap voor stap het aantal experimenten uit. Betrek pas op het laatst – als er geen weg meer terug is – de groep mensen die niet voor verandering openstaan.
- Ratio is net zo belangrijk als emotie: mensen volgen vaak hun gevoel. Transitie is schaken op meerdere schaakborden tegelijk (omgeving, organisatie, jezelf). Het goed en lang doordenken van complexe opgaven is een vereiste om tot de juiste beslissingen te komen.
- Sta voldoende lang stil bij successen, hoe klein ook. Veel veranderaars willen te snel gaan. Leer van interventies voor vervolgstappen, zoek medestanders van buiten en van binnen en deel de resultaten met anderen.
- Neem de tijd en laat je niet opjagen. Rust, tijd en ruimte creëren te midden van de onrust is een continu proces. Durf ook nee te zeggen. Vertil je niet aan je missie en pak niet alles aan om je doel te bereiken.
- Creëer mentale en organisatorische ruimte zodat experimenten zich kunnen onttrekken aan de dwang van controle en beheersing. Radicale experimenten gedijen het best in betrekkelijke luwte, als deel van een schaduwspoor dat parallel loopt aan het primaire spoor. Ze halen de toekomst dichterbij en geven inzicht in wat komen gaat zonder direct een bedreiging te vormen.
- Geen marsroute maar een zoektocht: bedwing de neiging tot een marsroute met piketpaaltjes. Ga voor een organische veranderstrategie. Dit vraagt om een strategie met flexibele doelen vanuit een langetermijnvisie en ruimte voor verrassingen, intuïtie en creativiteit. Dit maakt het tot een spannende ontdekkingsreis.
- Geef de transitie een gezicht: schets een toekomstperspectief voor de betrokken medewerkers en probeer ze te laten inzien dat hun werk ook leuker kan worden. De motivatie daarvoor kan alleen van binnenuit ontstaan op het moment dat mensen hun diepgewortelde angsten overwinnen en hun innerlijk kompas volgen. Dat vraagt om verbindend leiderschap.
Wat betekent deze transitie nu voor het onderwijs?
In het toekomstig onderwijs krijgt elke leerling een eigen leerroute waarbij collectief leren belangrijk blijft. Elke docent krijgt ontwikkelingsruimte, bestuurders faciliteren en scholen krijgen er autonomie. De kern van de transitie is een verschuiving van standaard naar gepersonaliseerd onderwijs waar leerling en docent centraal staan. Van controle en beheersing naar ruimte en vrijheid. Van vakken naar thema’s die in multi- en interdisciplinaire vorm worden aangeboden. Met een balans tussen theorie en praktijk, tussen kennis en competenties. In onze maatschappij zijn we op weg van een hokjes- naar een vloeibare samenleving, het onderwijs volgt daarin. De nieuwe generatie studenten willen vooral multi- en interdisciplinair geschoold en getraind worden. Leren, werken en ondernemen raken steeds meer met elkaar vervlochten. Het is ook belangrijk dat kinderen leren dat de mens onderdeel is van de natuur en veel van haar kan leren. Door de natuur weer te leren ervaren en haar veerkracht te leren kennen, leren kinderen en jongeren ook anders omgaan met onzekerheid en risico’s.
Bestuurders sturen op de hoofdlijnen en verbinden de wereld buiten school voortdurend met die erbinnen. Ze spelen in op veranderingen en bieden tegelijk richting en ruimte. Het vraagt om ontwikkelingsruimte bij docenten die via een dynamisch curriculum en een balans harde kennis en menselijke vaardigheden ingaan op de grote, actuele vraagstukken waar we voor staan. Jongeren hebben zelf ook invloed op het curriculum.
Het onderwijsveld is wereldwijd enorm in beweging en beseft dat het moet veranderen om de kloof met de sneller veranderende samenleving en economie te dichten. Op vele plekken wordt geëxperimenteerd met nieuwe vormen van onderwijs. De overheid kan het verschil maken door deze onderwijsvernieuwing te omarmen en te helpen opschalen. Het is van belang dat alle experimenten vanuit een overkoepelende onderwijsvisie worden verbonden en elkaar zo versterken in dezelfde richting. Naast de zorg-, sociale en democratische transitie, is onderwijs een randvoorwaarde voor de andere transities (energie, klimaat, landbouw, circulaire economie, grondstoffen …). Zonder hervorming van het onderwijs kunnen we geen nieuwe economie opbouwen.
Omarm de chaos - Nederland in 2121
Wat kunnen wij doen?
Het begint bij het besef dat wij transformatieve macht hebben, het vermogen om systemen echt te veranderen. Alle systemen zijn in tijden van chaos kwetsbaar en gevoelig voor disrupties. We kunnen alleen systemen breken en bouwen als we dat collectief doen maar het begint altijd bij een individu of kleine groep. Transities beginnen klein en kunnen dan, onder de juiste omstandigheden, groot worden en een omslag teweegbrengen. Acties en interventies werken op verschillende schaalniveaus door. Je kunt de omslag maken naar activist. Daarvoor heb je volgens de auteurs vier dingen nodig:
- Tijd (voor jezelf en om tot verdieping en verstilling te komen)
- Ruimte (mentaal en fysiek, liefst op een bijzondere plek waar je los kunt komen van de tijd).
- Vertrouwen (in jezelf, vanuit de verbinding tussen hoofd en hart)
- Een plan (voor een periode van vijf jaar, als een kompas)
Onze opinie?
‘Omarm de chaos’ verschaft je inzicht in de transformatie die ons wereldwijd te wachten staat en die al volop aan de gang is. Door via de transitielenzen te kijken, kun je zien wat er werkelijk aan het gebeuren is en kun je daar ook een kleine, actieve en effectieve rol in opnemen. Dat schept rust. Daarnaast helpt het transitiekompas om goeie stappen te zetten en bepaalde fouten niet te maken. Jan Rotmans beschrijft in detail ook de verschillende transities die aan het gebeuren zijn. Vanuit zijn expertise zijn bepaalde transities zoals energie, grondstoffen en landbouw meer in detail uitgewerkt dan bijvoorbeeld onderwijs waar eerder generiek een aantal vernieuwingen worden meegegeven (wel de nagel op de kop).
Waar we aan twijfelen is op het wel zinvol is om de groep mensen die niet voor verandering openstaan pas op het laatst – als er geen weg meer terug is – te betrekken. Dit werkt volgens ons niet, toch niet in onderwijs. Ook die groep mensen moet een proces kunnen doorlopen en op zijn minst de kans krijgen om input te geven.
Wat ook krachtig is het belang van de taal die je gebruikt tijdens een transitieproces. Woorden zoals meestribbelaars en doorvertalers, roepen meteen gezichten op. Ook de woorden ‘masculien’ en ‘feminien’ doen hun werk, al komt het over of deze enkele bij mannelijk of vrouwelijk leiderschap horen. Maar zo zal het niet bedoeld zijn. Het is ook fijn om lezen dat het onderwijs al flink gevorderd is op de transitiecurve en op weg is naar de tussentijd. Laten we daar met zijn allen verder aan werken. Want dat is misschien wel het belangrijkste inzicht uit het boek: in tijden van chaos kan een kleine positieve actie grote gevolgen hebben …
Wil je specifiek weten hoe je een onderwijstransformatie aanpakt, dan kan EduNext je daarbij inspireren en begeleiden. Mail naar contact@edunext.be of bel Dirk De Boe op 0474/949448
‘Weet je wat je doet, mevrouw? Berg die Chromebooks veilig op in de kast.’
Wanneer technologie de overhand neemt in de klas, ontstaat er vaak een verlangen naar de eenvoud van vroeger. Maar Chromebooks opbergen lost het fundamentele probleem van digitale afleiding niet op. Het is een oproep om technologie niet als vijand te zien, maar als een middel dat vraagt om een nieuwe vorm van pedagogische regie. Hoe vind je de balans tussen de rijkdom van het web en de noodzakelijke rust en focus in het leerproces?
Toen we onlangs een schoolleider aan de lijn hadden die vertelde dat ze via haar schoolbestuur enkele honderden Chromebooks had kunnen scoren, was dat het antwoord dat we gaven. We stellen tijdens onze contacten met directies, leraren en coördinatoren vast dat er veel enthousiasme is voor de Digisprong waarbij de Vlaamse regering in ICT-infrastructuur op school investeert.
Zijn er wel voldoende wifi-punten?
We constateren dat de klemtoon nog te vaak en veel te snel ligt op het technische aspect van de digitalisatie:
- Welk toestel gaan we kopen of huren?
- Welke infrastructuur hebben we hiervoor nodig?
- Hoe zorgen we dat onze toestellen steeds goed opgeladen zijn?
- Hoe gaan we dat financieren en wie is de eigenaar van de toestellen?
- Hoe zorgen we dat toestellen niet verdwijnen?
- Hoe geven we opleiding aan leerlingen en leraren?
Dit zijn heel belangrijke vragen en moeten zeker een plaats krijgen. Maar deze komen pas aan bod als je eerst een sterke en gedragen visie hebt ontwikkeld over hoe je deze toestellen met pedagogische meerwaarde gaat inzetten in de school. Dit mag geen aparte ICT visie zijn. Ze maakt deel uit van een schoolvisie waarin alle belangrijke elementen van het leren geïntegreerd zijn. De digisprong is overigens een ideaal moment om je huidig pedagogisch concept onder de loep te leggen. Voldoet het nog aan de talrijke uitdagingen waarmee leraren momenteel in hun klas geconfronteerd worden zoals diversiteit, hoogbegaafdheid, leerlingen met achterstanden en vakoverschrijdende sleutelcompetenties? Het zou jammer zijn om je bestaande pedagogische concept - als dat niet meer voldoet - te digitaliseren en leerlingen te laten werken met numerieke invulboeken.
Het leermateriaal als ingangspoort
Om te komen tot een nieuw pedagogisch concept waarin digitaal leermateriaal een centrale plaats krijgt, kun je het transformatierad gebruiken.
Dit is een denkmodel waarbij leerlingen centraal staan in hun leerproces en waar ze autonomie en eigenaarschap krijgen over hun leren. Dit laat toe om systemisch en integraal te kijken naar alle belangrijke elementen die voor kwalitatief onderwijs nodig zijn: de leerinhouden, de manier van lesgeven, het bijsturen van het leren, de tijd tijdens de welke leerlingen leren, de infrastructuur, het leernetwerk, het leermateriaal en de organisatie van het leren. Hierbij kun je bestaande vastgeroeste patronen in vraag stellen en er zinvolle alternatieven voor bedenken. Om er daarna één samenhangend geheel van te maken dat elkaar complementair versterkt. Er is niets mis om de digitalisatie als ingangspoort te nemen en van daaruit na te denken over de overige elementen van het transformatierad:
- Welke leerinhouden gaan we op die toestellen zetten?
- Hoe en in welke mate gaan we met deze toestellen lesgeven?
- Hoe kunnen we gebruik maken van deze apparaten om het leren van onze leerlingen bij te sturen?
- Hoe kan de digitalisatie zorgen dat leerlingen volgens hun eigen leertempo en niveau kunnen leren?
- Welke leeromgeving hebben we nodig om de nieuwe manier van werken optimaal te laten renderen?
- Hoe kunnen we alle betrokkenen op en rond de school bij dit project betrekken? Hoe kunnen zij mee zorgen dat digitalisatie een meerwaarde wordt?
- Hoe gaan we onze organisatie hierop aanpassen?
De vraag die zich in elk van de wielen ook stelt is: hoe gaan we leerlingen daarbij betrekken? Hoe geven we hen daarbij autonomie? Hoe zorgen we dat ze tijdens hun leren voldoende keuzes kunnen maken?
CATCH 22
Een dergelijke visie bedenk je niet op een namiddag. Als je het hele schoolteam er wil bij betrekken en ervoor zorgen dat ze er achter staan, dan zal je hiervoor tijd moeten voorzien. Tijd om het samen te bedenken maar om zich het nieuwe concept eigen te kunnen maken. Tijd om te experimenteren, tijd om de nodige vaardigheden aan te leren. De timing van aankoop of schenking van de toestellen kan hiermee dus wel eens conflicteren. Scholen kunnen daardoor in een moeilijk parket terechtkomen. Als ze hun kans laten voorbijgaan, missen ze de kans op gratis apparaten. Als ze het echter halsoverkop invoeren, kan het een fiasco worden. Vandaar onze reactie aan de schooleider om de toestellen op te bergen en eerst te werken aan een gedragen visie. Daarbij stelt zich nog een hamvraag: wat zal de school doen bij einde levensduur van de apparaten? Kan de school de implementatie van digitaal leermateriaal blijven continueren als de subsidie straks wegvalt? Het is twijfelachtig dat de Vlaamse regering hiervoor om de paar jaar in de geldbeugel zal tasten. Als je op deze vragen een antwoord hebt, dan pas is het tijd voor andere vragen zoals hoe je de aankoop verantwoordt, hoe je controle inbouwt en ja, of er ook voldoende wifi-punten zijn. Succes met de implementatie!
Hulp nodig?
Wil je meer weten hoe je tot een gedragen visie komt en hoe je die gedragen in de praktijk kunt brengen, neem dan contact op met EduNext. Mail daarvoor naar jorisvanwaes@edunext.be of bel Joris op 0474946800
Allemaal goed en wel, EduNext, maar werkt jullie concept wel? Is dat allemaal bewezen? Worden leerlingen daar echt beter van?
Tijdens onze intake gesprekken en gedurende onze begeleidingen krijgen we van directies en leraren af en toe de (terechte) vraag of wat we doen ook werkt. Het antwoord daarop is genuanceerd. Onderwijs is zeer complex en of het werkt, hangt ook van de context en hoe je het toepast. Je kunt wel de kansen om het te laten werken maximaliseren.
We baseren ons op diverse bronnen waaronder volgende twee:
1. John Hattie, de Nieuw-Zeelandse onderwijsexpert, deed meer dan 1000 meta-analyses van 50.000 onderwijsonderzoeken en verzamelde van 240.000.000 leerlingen wereldwijd gegevens. Dit is een zeer uitgebreid, op bewijs gericht, onderzoek naar wat het beste werkt om leerprestaties te verbeteren. Hattie beschrijft een effectgrootte van 0.40 als het gemiddeld en/of typisch effect. Dit is het minimum dat we zouden moeten verwachten na een inspanning van een leraar. Ieder kind heeft het recht op een vooruitgang van minstens 0.40 op één schooljaar tijd. John Hattie geeft de raad om te focussen op leereffecten groter dan 0.40.
2. NWO studie Van acties naar interacties – een overzichtstudie naar de rol van professionele netwerking bij duurzame onderwijs (Virginie März, Lisa Gaikhorst, Rob Mioch, Desirée Weijers en Femke Geijsel). Daarin staan een aantal condities die je in acht moet nemen om onderwijsinnovatie duurzaam te maken.
We beschrijven hieronder het EduNext onderwijsconcept en leggen telkens de link met deze en ook met enkele andere studies.
1. Eigenaarschap leerlingen
Wij vinden dat leerlingen stap per stap eigenaarschap over hun leren moeten kunnen opnemen, dit voor alle elementen van het transformatierad:
Leerinhoud: leerlingen combineren theoretische, ervaringsgerichte en persoonlijke kennis. Ze focussen op cruciale vakkennis en noodzakelijke vaardigheden. Leraren vertrekken vanuit een levensechte context en vanuit interesses van leerlingen. Leerlingen hebben daarbij de mogelijkheid om keuzes te maken. Hun lesinhouden zijn in overeenstemming met de te behalen eindtermen/leerdoelen. Daarnaast kiezen leerlingen ook eigen doelen en leggen ze geregeld de link met hun toekomst.
Leervorm: leerlingen nemen een actieve rol en houding aan in de les. Leraren zorgen voor een goede mix van instructie, activerende werkvormen, begeleid zelfstandig leren, ervaringsgericht en sociaal leren (projectwerk). Ze differentiëren en passen hun werkvormen aan de noden van de leerlingen aan.
Leerproces: leerlingen nemen verantwoordelijkheid over hun leerproces. Leraren focussen op formatieve evaluatie en leren leerlingen om groeigericht te kijken. Zo leren ze om iets te kunnen, niet louter voor de cijfers of het diploma. Leerlingen hebben frequent gesprekken met leraren, leren duidelijke doelen stellen en krijgen hierbij feedback, feed-up en feedforward. Ze zoeken ook feedback bij andere leerlingen, leren zichzelf inschalen en doen aan zelfreflectie. Permanente summatieve (zelf)evaluatie geeft richting en input aan dit proces en zorgt dat leerlingen (en leraren) weten of ze hun doelen werkelijk realiseren.
Leertijd: leerlingen bepalen hun eigen leertempo en kunnen kiezen welke leerinhouden ze wanneer willen verwerven. Zolang ze hun leerdoelen maar bereiken. Op die manier creëren ze hun persoonlijke leerroutes. De leraar begeleidt hen daarbij en leert hen om hun leertijd inschatten. Leraren zetten de leertijd gericht in door vakoverschrijdend te werken waarbij ze slim de te bereiken leerdoelen combineren.
Leeromgeving: leerlingen kunnen in een multifunctionele en aangename omgeving terecht die bovenstaande leervormen en leerprocessen ondersteunt. Het is een warme en mooie omgeving waar iedereen op school graag is en die leerlingen ook kunnen personaliseren.
Leernetwerk: bij het leren betrekken leraren, directies en leerlingen ook ouders en externen zoals ondernemers, gastdocenten, buurtwerkers en VZW’s. Zo zorgen ze voor bijkomende competentie en extra leertijd in de school.
Leermateriaal: leerlingen beschikken over een mix van analoog en digitaal eigentijds leermateriaal. Dit zetten leraren in als middel om leerinhouden, leervormen en leerprocessen te ondersteunen. Leerlingen leren ook met de handen via labo’s en ateliers.
Leerorganisatie: leerlingen zijn zelf actief betrokken bij de planning en organisatie van hun leerweg en hun leerdoelen.
“Research toont aan dat het ertoe doet wanneer leerlingen zichzelf als eigen leraar zien en als leraren het leren door de ogen van hun leerlingen zien – John Hattie”
Wanneer leerlingen eigenaarschap krijgen over hun leren, speelt dat volgens John Hattie positief in op een aantal factoren met hoog leereffect:
· Het eigen leerproces leren inschatten (1.44)
· Leerlingen stellen hoge verwachtingen (1,42)
· Zelf-effectiviteit (0.92)
· Formatieve interpretatie (0.90)
· Hulp van andere leerlingen zoeken (0,83)
· Planning en voorspelling (0.76)
· Evaluatie en reflectie (0.75)
· Feedback (0.75)
· Diepe motivatie (0.69)
· Directe instructie (0.59)
· Peer tutoring (0,55)
· Sociaal leren (0,50)
Doordat leerlingen fel betrokken zijn in hun leerproces, blijken leraren ook duidelijkere verwachtingen (1,62) te stellen. Daarnaast is een verhoogde kans op een beter klasmanagement wat resulteert in een beter gedrag in de klas (0.68). Door differentiatie is er ook een meer begrijpelijke aanpak voor leerlingen met een leerstoornis (0.77). Ook geeft een dergelijk concept kansen aan betere klassengesprekken (0,82) en zorgt het voor een sterkere relatie tussen leerling en leraar (0.72).
Om de betrokkenheid van leerlingen te verhogen, kun je volgens Kris Van den Branden, professor en lerarenopleider aan de K.U. Leuven, inspelen op vijf elementen:
1. inspelen op haalbare uitdagingen
2. uitdagingen voorzien waaraan leerlingen een persoonlijke waarde hechten
3. sociale interactie
4. leerlingen autonomie en inspraak geven
5. zorgen dat leerlingen het gevoel hebben dat ze door inspanningen te doen, een doel kunnen bereiken.
Hij baseert zich daarbij op toonaangevende en onderzoeksgebaseerde motivatie-modellen waaronder het Expectancy-Value model van Eccles en Wigfield, de zelfdeterminatietheorie, het Self-Efficacy model van Bandura, de Attributietheorie van Weiner en de taalleermotivatietheorieën van Dörnyei.
Deze vijf elementen vind je terug in het EduNext onderwijsconcept.
2. Teamvaardigheden: leraren maken het verschil
Daarnaast schenken we tijdens onze begeleiding veel aandacht aan de vaardigheden van het schoolteam om het pedagogisch-didactisch concept in de praktijk te brengen. We spreken onder andere over het kunnen en durven geven van feedback, coachingsvaardigheden, creatief denken, samenwerken, communiceren, zelfreflectie en systeemdenken.
Wij geloven in een lerarenteam dat samen gaat voor een schoolopdracht, in leraren die elke dag beter willen worden in hun vak, in leraren die goed les kunnen geven en die leerlingen goed kunnen coachen. In leraren die leerlingen goed kunnen observeren en zo hun talenten kunnen ontdekken en deze samen met leerlingen verder ontwikkelen. Actieve betrokkenheid van leraren is dan ook een belangrijke succesfactor. In het hierboven beschreven onderwijsconcept heeft de leraar een cruciale rol en verantwoordelijkheid. Dit vergroot de kans op meer eigenaarschap bij de leraar.
Als we naar Hattie kijken, dan blijkt collectieve lerareneffectiviteit een effectgrootte te hebben van liefst 1,57. Volgens Hattie gaat het daarbij om het geheel aan opvattingen en overtuigingen van het lerarenteam dat zij samen positief kunnen bijdragen aan het leren en ontwikkelen van hun leerlingen.
Daarnaast zijn er ook specifieke factoren die onafhankelijk zijn van het onderwijsconcept en te maken hebben met de persoon en het métier van de leraar. De leraar en zijn stielkennis spelen dus een zeer grote rol zoals onder andere:
geloofwaardigheid van de leraar (0.90)
transfer strategieën (0.86)
weloverwogen praktijkoefeningen (0.79)
samenvatten (0.79)
werken met uitgewerkte voorbeelden (0.57)
het bijbrengen van studievaardigheden (0.63)
Heel effectief is ook micro-teaching (0.88). Dat zijn allerhande werkvormen waarbij leraren aan elkaar tonen hoe ze lesgeven, daarbij van elkaar feedback ontvangen, van elkaar leren en zo hun lespraktijk verbeteren. Een van die manieren is bijvoorbeeld Lesson Study. Eerder kwam Dr Sui Lin Goei daarover spreken op het EduNext leerfestival.
Ook de kennis van de bouwstenen voor effectieve didactiek zoals bijvoorbeeld gespreid oefenen om de vergeetcurve tegen te gaan, hebben een sterke invloed op de leereffecten die leraren bij hun leerlingen kunnen creëren.
Beide laatste zijn weerom onafhankelijk van het onderwijsconcept waarin je ze uitoefent.
3. Schoolcultuur
Om de innovatie werkelijk te verankeren in de school, besteden we in onze begeleidingen veel zorg aan de schoolcultuur. Daarin spelen elementen zoals visie-ontwikkeling, leiderschap en innovatieklimaat een belangrijke rol:
Verschillende van deze elementen vind je ook terug in de NWO studie als belangrijke condities voor duurzame innovatie:
4. Systemische aanpak
EduNext gaat voor een geïntegreerde onderwijsaanpak. Te beginnen met het transformatierad zelf. Door de acht elementen te combineren en ze als één systemisch geïntegreerd geheel te benaderen, kun je voor duurzame innovatie zorgen. Alle wielen van het transformatierad zijn immers met elkaar verbonden en oefenen allemaal invloed op elkaar uit. Stel dat je bijvoorbeeld leerlingen een laptop wil geven (leermateriaal), dan zul je – om het goed te doen - ook moeten kijken naar de bijhorende leerinhouden, naar de manier van lesgeven, hoe je dit gaat evalueren, welk netwerk je ervoor kunt inschakelen, hoe je het gaat organiseren, welke aanpassingen je in de leeromgeving zult moeten doen en welke impact dit heeft op de lestabellen.
Volgens de NWO studie moet je, om duurzaam succes te hebben met onderwijsinnovatie, het - naast andere condities – vooral hebben over de kern van onderwijs en moeten de leraren de relevantie inzien voor hun leerlingen. Dat doen we via het transformatierad dat volledig inzoomt op pedagogisch-didactisch relevante aspecten.
Daarnaast zijn ook een aantal vaardigheden systemisch. Door aan de ene vaardigheid te werken, kun je ook vooruitgang boeken op een andere. Of kun je een cultuurelement positief beïnvloeden. Als je bijvoorbeeld werkt aan creatief denken is het niet onlogisch dat ook de innovatiecultuur positief beïnvloed wordt en omgekeerd. Idem bijvoorbeeld voor reflecteren en kwaliteitsontwikkeling.
Er is groeiende eensgezindheid onder experten zoals Peter Senge, Otto Scharmer, Leon Vermaak, Jaap Schaveling en Fred Korthagen dat organisaties en dus ook scholen levende systemen zijn en dat een fragmentarische aanpak van innovatie weinig of zelfs negatieve impact kan hebben. Onderwijsvernieuwing kan pas slagen als je op alle niveaus van het onderwijssysteem op een coherente en geïntegreerde manier handelt. Via focus op het drievoudige transformatierad brengen wij die gedachte binnen in de schoolpraktijk.
Praktijkonderzoek
Naast een theoretische onderbouw kun je als school je werking bijsturen via praktijkonderzoek. Daarbij onderzoeken leraren of wat ze doen ook werkelijk werkt.
Uit het boek ‘Praktijkonderzoek in de school’ van Cyrilla van der Donk en Bas van Lanen
Dit kan bijvoorbeeld tijdens een Banaba schoolontwikkelingstraject waar een van je leraren zich voor in schrijft of door een samenwerking met een universiteit of hogeschool. Regelmatig zijn die laatste trouwens op zoek naar scholen die willen meewerken aan een dergelijke onderzoeken.
Conclusie
Of het onderwijsconcept werkt, hangt enorm van af van de context en hoe je het in de praktijk brengt. Maar ook van de kwaliteiten en de vaardigheden van de leraren die in de school lesgeven, het aanwezige leiderschap en de schoolcultuur. Via het EduNext onderwijsconcept kan je een leeromgeving, een context, een structuur en een schoolcultuur creëren waarin je de kansen tot meer leerwinst voor elke leerling maximaliseert en waar leerlingen zich goed kunnen voorbereiden op hun toekomstige leven, leren en werken.
Vragen hierover?
Wil je hier meer over wetten of heb je zin in een vrijblijvend gesprek over onze begeleiding? Stuur dan een mail naar dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448
Hoe creëer je in je school een cultuur, een structuur en een context die leerlingen voorbereidt op de transformatie van leven, leren en werken?
Critici vragen vaak om hard bewijs voordat ze de weg van vernieuwing inslaan. Maar wat verstaan we onder 'bewijs' in een domein zo complex als onderwijs? Dit artikel gaat de confrontatie aan met de roep om meetbaarheid en toont aan dat transformatie tastbare resultaten oplevert op vlak van welbevinden, betrokkenheid en leerwinst. Een eerlijke reflectie over de balans tussen wetenschappelijke onderbouwing en de durf om te pionieren.
Om een antwoord te kunnen bieden op de vele veranderingen die zich in snel tempo op onze scholen afkomen, geloven wij dat we hiervoor in de school, naast een nieuw pedagogisch-didactisch onderwijsconcept, ook de cultuur, de structuur en de context zullen moeten creëren.
Met de zeilboot op weg
Bij EduNext hebben we de gewoonte om de transformatie van de school voor te stellen als een zeilboot die van de huidige naar de toekomstige situatie vaart. Voor deze reis zijn meerdere jaren nodig want de zee is woelig, de bestemming onzeker en de bemanning vaak nog onervaren op vlak van veranderingsprocessen.
Een zeiler moet op zijn minst twee dingen weten:
- Waar zeil ik naartoe? Wat is mijn bestemming?
- Wat is mijn actuele positie?
Bij aanvang van de reis brengt je als schoolteam dan ook de actuele situatie in kaart:
- Waar is onze school sterk in?
- Waar zijn we fier op?
- Wat werkt niet of niet meer?
- Welke van onze behoeften zijn momenteel niet ingevuld?
- Welke urgenties spelen er?
Via verschillende werkvormen kan je hier samen met het team zicht op krijgen.
Daarna ga je samen kijken waar je binnen enkele jaren wil zijn:
- Hoe ziet onze droomschool eruit?
- Wat willen we leerlingen meegeven?
- Hoe zullen leerlingen en leraren zich er voelen?
- Welk gedrag vertonen we dan?
- Hoe gaan we om met ouders?
Een ambitieuze en gedragen visie zorgt meteen voor een spanningsverschil met de actuele situatie en geeft goesting om naar die aantrekkelijke horizon te varen.
Ankers en zeilen
Aan de boot zitten ook zeilen, positieve elementen in de school die de boot vooruitstuwen richting droomschool. Daarnaast zijn er ook ankers die de boot afremmen. Het is belangrijk om beide in kaart te brengen. En om na te denken hoe je topzeilen kunt verstevigen, zeilen kunt bijzetten of groter maken. Dergelijke quick wins geven energie aan het schoolteam. Die heb je nodig bij een onstuimige zee. Daarnaast moet je de grote ankers in de loop van het veranderingstraject ook (durven) ophalen. Anders geraak je nooit op je bestemming.
Het transformatierad als denkmodel
Vervolgens is het belangrijk om het nieuwe pedagogische concept - in lijn met de nieuwe visie - vorm te geven. Het transformatierad is een handige tool om over het toekomstige onderwijsconcept na te denken:
Het bevat immers alle elementen die voor onderwijs van belang zijn. Een cruciale vraag die je hierbij stelt is welke rol leerlingen in je toekomstig onderwijs zullen mogen spelen? Krijgen ze voldoende eigenaarschap over hun leren op elk van de elementen van het transformatierad?
Daarnaast is het cruciaal om het transformatierad op een systemische manier te bekijken. Alle wielen van het rad zijn immers met elkaar verbonden. Stel dat je bijvoorbeeld elke leerling een laptop of een Chromebook ter beschikking stelt, dan zal je ook moeten kijken naar de leerinhouden die daarop komen, je zal je manier van lesgeven waarschijnlijk moeten aanpassen en het heeft vast konsekwenties op de manier waarop je evalueert. Je zal ook de leeromgeving erop moeten voorzien en mogelijk zal het ook een impact hebben op de leertijd van de leerlingen. Ook kan het handig zijn om er externe partijen bij te betrekken en tot slot zal je het allemaal goed moeten organiseren. Die integrale kijk blijkt volgens wetenschappelijk onderzoek cruciaal te zijn om succesvol te zijn met dergelijke veranderingsprojecten. De laptops worden zo een middel om het nieuw pedagogisch project mee te ondersteunen en geen doel op zich.
De volgende stap is om bestaande patronen in kaart te brengen voor elk van de wielen van het transformatierad. Dingen die je al heel lang doet op een bepaalde manier in vraag durven stellen. De sterke patronen kun je behouden, voor de afremmende patronen bedenk je alternatieven. Om uit die alternatieven keuzes te maken en er één samenhangend, geïntegreerd geheel van te maken.
Vaardigheden, schoolcultuur EN PROCESSEN
Je kunt een fantastisch nieuw pedagogisch project bedenken, daarom gebeurt het nog niet op de klasvloer. Verandering gebeurt door mensen. Daarin vertolkt het lerarenteam een cruciale rol. Ze hebben dan ook de vaardigheden nodig om het nieuwe onderwijsconcept te kunnen implementeren. Zoals het kunnen geven en ontvangen van feedback, leerlingen en elkaar kunnen coachen, goed kunnen communiceren en samenwerken of in staat zijn tot zelfreflectie.
Vierledig transformatierad
Om te zorgen dat de implementatie duurzaam is en dat de school na de transformatie opnieuw nieuwe veranderingstrajecten zal aankunnen, zal je ook moeten werken aan een schoolcultuur die dat mogelijk maakt. We spreken dan onder andere over leiderschap, talentontwikkeling van leraren, gedragen besluitvorming en één verbonden team.
Meerjarenplan
Met bovenstaande ingrediënten kan je komen tot een meerjarenplan waarbij je stap per stap het nieuwe onderwijsconcept in de praktijk brengt. Bijvoorbeeld via een pilootproject in een van de leerjaren. Daarbij is een goede rolverdeling, duidelijke engagementen en coaching nodig. Het zal ook niet van de eerste keer lukken. Experimenteren, ervan leren en bijsturen zijn onvermijdelijke stappen. Natuurlijk kun je ook veel leren van andere scholen die soortgelijke trajecten hebben gedaan. Je hoeft hun fouten niet opnieuw te maken. Toch is elke school anders. Het is niet omdat het elders werkt (of niet werkt) dat het in jouw school werkt (of niet werkt). Je zal telkens de vertaling moeten maken naar jouw specifieke context.
De laatste stap in het traject is verduurzamen. Dat betekent transformatievaardig worden en in staat zijn om samen met het schoolteam toekomstige veranderingen succesvol aan te pakken. Daarbij hoort een adequate rolverdeling op schoolniveau.
Cyclische benadering
We beschreven hierboven een aantal, volgens ons, cruciale stappen in een dergelijk veranderingstraject. De indruk zou kunnen ontstaan dat zo een traject via een mechanistische checklist kan verlopen. Onze ervaring uit de praktijk is volledig anders. Je doorloopt deze stappen maar daarom niet noodzakelijk in dezelfde volgorde of eenmalig. Sommige stappen zullen meerdere keren aan bod komen en er zullen bijkomend tussentijdse interventies nodig zijn om het succesvol te maken.
Hulp nodig?
EduNext heeft voor de verschillende stappen tools ontwikkeld om schoolteams te helpen op weg naar hun droomschool. We coachen ondertussen twaalf scholen in basis- en secundair onderwijs. Met scholen die daar behoefte aan hebben gaan we graag gedurende drie jaar op weg. Je vindt hier meer info over onze aanpak. Je kan ook een vrijblijvende intake aanvragen of deelnemen aan een van onze inspirerende infomomenten.
Ben je leraar en zou je graag in je school ook zo een traject lopen? Ga dan samen met enkele collega’s eens langs bij jouw directie.
Ben je leerling en vind je dat je meer zelfsturing en autonomie moet krijgen? Bespreek het in de leerlingenraad of praat erover met een van je leraren.
Ben je ouder en vind jij dat jouw kinderen eigenaarschap over hun leren moeten krijgen? Breng het op als agendapunt op de volgende ouderraad.
Boekrecensie: groeien in executieve functies – Hoe? Zo! – Catherine Malfait
Leerlingen die moeite hebben met plannen, filteren of emoties reguleren, worden vaak bestempeld als 'moeilijk', terwijl het ontbreekt aan de juiste executieve vaardigheden. Catherine Malfait biedt een wetenschappelijk onderbouwde, maar uiterst praktische gids om deze functies te versterken. Dit is geen droge theorie, maar een pleidooi om zelfsturing te zien als een ontwikkelbaar proces waar de school een cruciale rol in speelt.
Meer en meer (en gelukkig) krijgen executieve functies aandacht in het onderwijs. Het zijn cognitieve processen die je in staat stellen om gedrag, gevoelens en gedachten te sturen en zo doelgericht en sociaal gedrag te stellen. Dat is in leven en werk ontzettend belangrijk en dient ook in het onderwijs meer aandacht te krijgen, vindt Catherine Malfait, docent en onderzoeksmedewerker aan de Odisee Hogeschool en auteur van het boek. “Zeker omdat executieve functies belangrijke sleutels zijn voor zelfsturing en leren leren”. Het boek richt zich voornamelijk tot lager onderwijs maar de principes zijn evengoed toepasbaar in secundair en hoger onderwijs. En eigenlijk zou ook elke leraar en volwassene deze functies onder de knie moeten hebben.
Wat zijn nu die executieve functies?
Als een leerling executieve functies verworven heeft, kan hij zelf zijn gedrag sturen zodat hij eigenaar wordt van zijn handelen en er zo richting kan aan geven. Hij wordt zo stap per stap bestuurder van zijn gedrag. Die executieve functies ontstaan niet vanzelf, leerlingen moeten hierin goed begeleid moeten. Naarmate het zelfsturend vermogen toeneemt, kan de begeleiding afnemen.
“Executieve functies stellen een leerling in staat om zijn leerproces in handen te nemen en om zijn gedrag zelf bij te sturen”
Catherine Malfait splitst de executieve functies op in lagere orde en hogere orde functies. De lagere orde executieve functies ontwikkelen zich eerst (en ontwikkelen zich verder). Ze vormen het fundament van de hogere orde executieve functies.
Daarnaast zijn ze ook systemisch. De executieve functies zijn immers met elkaar verweven. Ze kunnen elkaar versterken of tegenwerken. Als een leerling bijvoorbeeld in staat is om informatie vast te houden, dan zal dat hem helpen als hij een beetje afgeleid is.
De executieve functies zelf vind je gemakkelijk terug in andere literatuur of op het internet. De meerwaarde van het boek zit hem in de focussen die de auteur meegeeft om in de executieve functies te groeien.
Begin bij jezelf
Belangrijk daarbij is dat je je als leraar zelf bewust wordt van hoe je je eigen gedachten, gedrag en gevoelens stuurt. Via zelfreflectie kun je weten welke strategieën je zelf hanteert. Voorbeeldgedrag is belangrijk omdat we als (jonge) mens heel veel leren door imitatie. Toch loopt het niet allemaal vanzelf en zullen executieve functies moeten aangeleerd en ingeoefend worden.
Denk luidop
Een belangrijke tip daarbij is om als leraar hardop te denken. Zo kunnen je leerlingen jouw denkproces meevolgen en zelf ook kopiëren. Dat kun je bijvoorbeeld goed toepassen bij instructies of bij uitgewerkte voorbeelden waarbij je stapsgewijs demonstreert hoe je een taak uitvoert of een probleem oplost.
Maak onbewust gedrag bewust
Deze groeistrategie toepassen kun je door het gedrag te benoemen. Dat werkt zowel bij gewenst als ongewenst gedrag. Alleen al het feit dat leerlingen er zich van bewust worden, vergroot de kans dat ze zichzelf bijsturen. Je kunt daarbij ondersteunen via de ‘scaffolding’ techniek. Je biedt de leerling tijdelijk een steiger aan omdat hij nog niet helemaal alleen kan klimmen. Je kijkt daarbij naar wat de leerling nog niet alleen kan maar wel kan leren dankzij jou. Door hen eerst maximale begeleiding te geven en naarmate hij oefent de begeleiding (en dus de steiger) af te bouwen, leert hij zich bijsturen (en alleen klimmen).
Feedback
Een belangrijke factor om je leerlingen te laten groeien in executieve functies is hen terugkoppeling te geven. Die feedback wordt sterker als hij inspeelt op drie pijlers: groei, inzet en strategie:
Bij groei geef je feedback, feed-up en feedforward:
- Feedback: waar sta je tegenover vroeger?
- Feed-up: welk leerdoel wil je bereiken?
- Feedforward: welke stap moet je nog nemen richting het leerdoel en het gewenste gedrag?
Daarnaast is het ook belangrijk om de inspanning die de leerling levert te benoemen en stil te staan bij de strategie die de leerling heeft gebruikt.
Focus
Leer de leerlingen zelf stilstaan bij hun denken en gedrag. Als je wil dat leerlingen hun gedrag kunnen sturen, dan is het belangrijk om hen tijd te geven om na te denken. Zo kunnen ze ook eerst voelen vooraleer ze handelen. En krijgen ze de ruimte om een antwoord te formuleren of een andere oplossing te bedenken.
Rust
Af en toe niets doen, dagdromen, is ook heel belangrijk. Terwijl we onze gedachten de vrije loop laten of juist even laten rusten, blijkt ons brein heel actief. Het gebruik deze tijd om zich te organiseren, om informatie te verwerken of om verbanden te leggen. Op die manier leer je leerlingen ook hoe ze hun onbewuste effectief kunnen gebruiken. Dat is onder andere zeer belangrijk bij het ontwikkelen van creativiteit.
Conclusie
Het boek is een aanrader voor leraren die met executieve functies aan de slag willen gaan. Het heeft een goede onderbouw en toont hoe je executieve functies groeigericht kunt inzetten. Het meest waardevol zijn misschien wel de vele praktische voorbeelden en eenvoudige werkvormen die je meteen in de klas kunt toepassen. Catherine Malfait heeft dit duidelijk zelf goed in de vingers. Er staat ook een checklist in hoe je je focus kunt kiezen. Als je een bepaald gedrag vaststelt, kun je terecht bij een aantal handige reflectievragen. Dit had wat vroeger in het boek mogen staan.
Wil je het Catherine zelf horen vertellen?
Dat kan op woensdag 28 oktober tijdens Sett Connect online. Luister hier wat ze daarbij zal vertellen.
Inschrijven kan via deze link. Ontdek hier het volledige programma.
Binnenkort krijgt haar boek ook een zusje. Catherines collega Sanne Feryn bezig aan een vergelijkbaar boek maar specifiek gericht op kleuteronderwijs.
Op woensdagnamiddag 28 april zijn het dames die rocken op Sett Connect online!
De technologische transitie in het onderwijs wordt vaak vanuit een mannelijk perspectief benaderd, maar Sett Connect draait de rollen om. Een reeks sterke vrouwelijke stemmen deelt hun visie op de digitale toekomst. Het gaat hier niet om de tools op zich, maar om de vraag hoe innovatie menselijk en inclusief blijft. Een inspirerende middag die laat zien dat diversiteit in perspectieven de broodnodige versnelling kan geven aan schoolontwikkeling.
De eerste editie van Sett Connect online vond in oktober vorig jaar plaats. EduNext is verheugd om ook mee het programma te hebben mogen cureren van de 2e editie. In het verleden kregen we nogal eens de opmerking dat er tijdens de EduNext inspiratiemomenten toch wel veel mannen op het podium stonden. Dat viel niet in dovemansoren. Samen met het Easyfairs team, stellen we op woensdag 28 april graag volgende vier gepassioneerde dames aan u voor. Omdat we binnenklasdifferentiatie, executieve functies, digitalisering en onderwijsinnovatie belangrijk vinden om leerlingen eigenaarschap over hun leren te laten nemen.
Veerle Scheirs - Digitalisering: hoe als schoolleider een proces van digitale transformatie (co-)creëren?
Het digitaliseren van een school vraagt meer dan het aanbieden van online lessen of een laptop in de klas. Wat zijn de belangrijkste randvoorwaarden voor een succesvolle digitale transformatie? Hoe faciliteer je dit proces als directeur en hoe geef je dit vorm samen met je beleids- en lerarenteam? Veerle Scheirs, algemeen directeur van het Scheppersinstituut in Mechelen, ging er zelf aanstaan en heeft als schoolleider vanuit een duidelijke onderwijsvisie op co-creatieve wijze de transformatie naar een digitale leeromgeving vormgegeven. Benieuwd hoe ze dat heeft aangepakt?
Catherine Malfait - Groeien in executieve functies. Hoe? Zo!
Op je beurt wachten, gericht naar de instructie luisteren, de tijd nemen om een antwoord op de vraag te bedenken, reflecteren over wat je nodig hebt… Het zijn allemaal uitingen van executieve functies die volop in ontwikkeling zijn bij onze leerlingen. Cathérine Malfait, docent en onderzoeksmedewerker aan de Odisee Hogeschool, biedt in haar lezing inzicht in wat executieve functies zijn en hoe je deze kan herkennen in jouw klaspraktijk. Ze geeft daarbij voorbeelden over jouw executief functioneren en die van de leerlingen. Zo begrijp je niet alleen het belang van deze executieve functies voor zelfsturing en leren, je krijg ook praktische tips mee om de executieve functies van de leerlingen te ondersteunen en te versterken.
Kristien Bruggeman (LAB) - Hoe organiseer je onderwijsinnovatie?
Het LAB was reeds eerder te gast op het EduNext leerfestival en op de eerste editie van Sett. Ondertussen zijn we een tijd verder en heeft de school niet stilgestaan. Vandaag telt de LAB school bijna 500 leerlingen en kan ze niet meer voldoen aan de inschrijvingsvraag. De school organiseert haar onderwijs rond het LAB-model, gebaseerd op de integratieve pedagogiek van Tynjala. Dit model biedt een uitgekiende combinatie van theoretische, ervaringsgerichte en persoonlijke kennis en zorgt ervoor dat de leerlingen én leraren met goesting blijven leren. LAB biedt elke leerling een individueel leertraject aan, betrekt ouders bij het persoonlijk ontwikkelingsproces van leerlingen en leidt haar leraren op tot leercoach. In de keynote vertelt oprichter en co-directeur Kristien Bruggeman hoe de school haar onderwijs organiseert, welke aandachtspunten er zijn als je ervoor kiest om je school radicaal anders te organiseren en welke effecten dit heeft op leraren en leerlingen. Klik hieronder op de link om te zien wat Kristien zal vertellen:
Kristien Bruggeman - LAB
Katrien Struyven - Differentiatie in de klas: luxe of noodzaak
Leerverschillen zijn inherent aan elke klaspraktijk. Om positief om te gaan met deze verschillen binnen de leeromgeving biedt binnenklasdifferentiatie kansen. In deze presentatie gaat Katrien Struyven, coördinator van de Educatieve Masters aan UHasselt, in op de verschillen tussen leerlingen die er echt toe doen, de signalen die je alert moeten maken om differentiatie effectief in te zetten en op diverse praktijkvoorbeelden die je kunnen inspireren om er zelf actief mee aan de slag te gaan.
Gelukkig is er Hans …
Naast transformatie is technologie een belangrijk onderdeel van Sett. Sett staat immers nog altijd voor School Education Transformation Technology. Daarvoor zorgt collega Hans van de ICT praktijkdag. En hij zorgde ook voor mannen ;-) en super relevante thema’s zoals STEAM, de DIGISPRONG en INNNOVATIETECHNOLOGIE.
Kevin Bostoen - STEAM-challenges in lager onderwijs
In deze workshop maakt Kevin Bostoen, leraar wiskunde – techniek – fysica je bekend met verschillende STEAM-tools die gemakkelijk inzetbaar zijn in het lager onderwijs. Voor de eerste graad plaatst hij het ‘unplugged’ programmeren in de kijker. Voor de tweede graad gaat hij met de deelnemers met storytelling via het programma Scratch aan de slag. Voor de derde graad toont hij micro:bit kan helpen bij de invulling van STEAM. Je kunt hem hier horen zeggen wat hij gaat brengen.
Ruben Vanderlinde - essentiële condities om de Digisprong te wagen
De Digisprong wordt de grootste ICT investering in het Vlaamse onderwijs sinds jaren. Onderzoek toont aan dat deze investering noodzakelijk is maar dat er ook randvoorwaarden of ondersteunende condities zijn om hiervan een succes te maken. Ruben Vanderlinde, professor aan de Vakgroep Onderwijskunde van Universiteit Gent, zal deze succescriteria tijdens zijn lezing toelichten:
1) het belang van visieontwikkeling ten aanzien van de plaats van ICT in onderwijs
2) het belang van een schoolbreed ICT-beleidsplan
3) het belang van effectieve ICT-professionalisering
GO! Atheneum Keerbergen (Lars Vandeput & Steven Hendrick): Innovatietechnologie inzetten op de klasvloer: zin of onzin?
VR en 360 technologie vinden stilaan hun ingang in het onderwijs. Hoever staat deze technologie en biedt dit momenteel reeds een meerwaarde? In welke leergebieden kan deze technologie het pedagogisch proces ondersteunen? Hoe pak je dit organisatorisch en didactisch aan en waar en wanneer zet je deze technologie best in? Heel wat scholen overwegen een investering, maar een eenvoudig antwoord ligt momenteel niet direct voor de hand. In deze keynote lichten Lars Vandeput en Steven Hendrickx hun ervaringen hiermee vanuit concrete projecten toe.
Goesting om dit inspirerende event samen met collega’s bij te wonen?
Naast deze sprekers kun je ook kennismaken met innovatieve exposanten en genieten van enkele straffe demo’s. Via deze link kun je je ticket reserveren.
Heb je een specifieke vraag voor EduNext? Breng gerust ook een bezoekje aan de online EduNext stand. Tot dan!
Tien geboden en vijf quotes uit de Inspiratiegids voor klasinrichting en scholenbouw (+School-onderzoeksproject)
Hoe vertaal je abstracte onderwijsvernieuwing naar de concrete inrichting van een klaslokaal? Deze tien geboden vormen een essentieel kompas voor iedereen die betrokken is bij scholenbouw of herinrichting. Voorbij de esthetiek ligt de kernvraag: ondersteunt deze opstelling de interactie die we beogen? Een verzameling prikkelende inzichten die aantonen dat elke stoel en elke wand een pedagogische keuze is die het leren bevordert of belemmert.
Hoe kan de fysieke ruimte bijdragen tot een krachtige leeromgeving? Welke randvoorwaarden zijn noodzakelijk voor het ontwikkelen van 21e eeuwse vaardigheden? Je vindt de antwoorden in de unieke inspiratiegids van Lisa Herman van de VUB (promotoren: Jo Tondeur en Joost Vaesen). De gids biedt wetenschappelijke onderbouw, handvatten, een plan van aanpak, veel praktische voorbeelden en 24 fiches die de leeromgeving helpen afstemmen op de pedagogische noden. Hij is bovendien gratis te downloaden: Inspiratiegids voor klasinrichting en scholenbouw
Tien geboden
Het is een marathon, geen sprint
Zorg voor een goede voorbereiding. Vooraleer je aan het transformatieproces begint, stel je een integraal plan vanuit een goed doordachte schoolvisie. Hou rekening met pedagogische, infrastructurele en financiële aspecten
Vertrek vanuit een duidelijke visie op onderwijs
Zorg ervoor dat je weet waar je naartoe wil gaan zodat je daar steeds op kan terugvallen wanneer er twijfel ontstaat of bij het maken van keuzes. Vertrek vanuit je pedagogisch project.
Elke school is uniek, elk resultaat is contextspecifiek
Er bestaan geen twee dezelfde scholen. Gelukkig maar. Elke school heeft zijn eigenheid. Vertrek dan ook vanuit inspiratiebronnen en niet vanuit kant-en-klare oplossingen. Denk eerst goed na over van waaruit je vertrekt en wat de basisvoorwaarden zijn. Van daaruit kan je dan verder gaan. .
Pedagogiek en ruimte moeten elkaar versterken en aanvullen
Je kan een perfectie visie hebben en een gebouw die deze visie onmogelijk maakt. Je kan een perfect gebouw hebben maar gen visie om er goed onderwijs in te verschaffen. Zorg dat je pedagogiek en didactiek op orde staat en dat je infrastructuur klopt.
Betrek alle stakeholders in de school
Betrek iedereen die later in de leeromgeving zal werken of ermee in contact komen. Naast leraren dus ook leerlingen en ouders. Het kan wat langer duren maar de gedragenheid en de slaagkansen zullen groter zijn.
Communicatie is het sleutelwoord
Pas als je aan het scheppen van gemeenschappelijke betekenis voldaan is, kan je tot een eindresultaat komen waar iedereen tevreden over is. Geef na elke stap feedback en zorg voor inspraak bij de relevante betrokkenen.
Transformatie is een cyclisch proces
Een transformatieproces heeft geen vast begin en einde. Het is geen lijstje dat je afvinkt. Het is een leerproces met veel vallen en veel opstaan. er is wel een leidraad: visievorming, planning, transformatie en evaluatie
Durf hulp te vragen
Ga elders kijken. Schakel experten in. Het zelf doen is niet altijd beter. Ga eens praten met een architect. En misschien zitten er in je schoolnetwerk ook wel mensen met heel wat kennis.
Geef niet op voorhand op
Denk niet te gauw dat het in jouw school niet mogelijk is. Durf met een open geest naar verandering kijken, denk out-of-the-box en zoek creatieve oplossingen. Het ging in die andere scholen die de stap gezet hebben ook niet vanzelf.
Vergeet de technische kant niet!
Denk ook aan onderhoud, hygiëne, akoestiek, verlichting, verluchting en temperatuur. Vermijd achter verborgen ongemakken of zware kosten.
Lab 21.0 - Rhizo Lyceum - Kortrijk - Ocular bvba
Vijf quotes
“Klop eens een muur uit. Het is niet omdat die er al 50 jaar staat, dat die moet blijven staan!”
“Haal het lerarenbureau uit de klas. Dat zet de leraar tussen de leerlingen en geeft een heel andere dynamiek’”
“De onderwijskwaliteit lijdt er onder wanneer er geen afstemming bestaat tussen de fysiek leeromgeving en de nagestreefde pedagogie”
“De fysieke leeromgeving moet een plek zijn die aansluit bij het leerproces, eerder dan een plek waaraan het leerproces zich moet aanpassen”
“Vertrek vanuit de visie en ga dan pas nadenken over de fysieke leeromgeving”
De Inspirodroom van het Inspirocollege in Houthalen-Helchteren: een hefboom voor uitdagend onderwijs en een plek waar leerlingen hun dromen kunnen najagen
In Houthalen-Helchteren bewijst het Inspirocollege dat dromen een plek verdienen in de schoolstructuur. De 'Inspirodroom' is meer dan een ruimte; het is een manifest tegen eenzijdig onderwijs. Hier krijgen leerlingen de kans om hun eigen talenten te verkennen buiten de klassieke kaders om. Een inspirerende case-study over hoe een fysieke herinrichting fungeert als hefboom voor een cultuur waarin leerlingen weer eigenaar worden van hun toekomst.
Als je in het Inspirocollege te Houthalen-Helchteren binnenwandelt, kom je meteen in de Inspirodroom terecht, een grote open ruimte die prachtig ontworpen is en die in niets met een klassiek leslokaal te vergelijken is. Je verwacht een dergelijk design eerder bij Studio 100 of bij Mobile Vikings en niet in een secundaire school.
De Inspirodroom is een open leercentrum (400 vierkante meter) op maat van de leerlingen gemaakt. Er zitten maximaal vier klassen tegelijk samen.
De leerlingen gaan er op verschillende manieren met de leerstof om:
- Groepswerk maken aan de grote tafels
- Les krijgen in het instructielokaal
- Presenteren op het podium
- Taal oefenen in het taallabo
- Lezen in de bibliotheek
Leerlingen krijgen hier meer vrijheid en ruimte en moeten niet de ganse dag stilzitten. Ze kunnen er ook na of voor school afspreken om bijvoorbeeld een spreekbeurt te maken. Of ze kunnen er in de pauzes of onder de middag chillen in een rustig hoekje.
“Ik vond de wiskundelessen vroeger heel saai maar als we nu wiskunde hebben in de Inspirodroom, ben ik heel blij. Als we dan een dag geen wiskunde hebben, dan is die dag minder leuk omdat ik dan niet hier zit ”
Een doordachte visie
De school zet bij haar visie in op vier principes:
Oog voor talent: streven naar een onderwijs dat jongeren zoveel mogelijk kansen geeft om hun eigen talenten, interesses, sterktes en zwaktes te leren kennen. Dit gebeurt vanaf het eerste jaar in de talenturen waar leerlingen op een creatieve manier begeleid worden bij een brede waaier aan interessegebieden en kennisdomeinen (theatertools, vloggen en bloggen, creatief met kunst, mode, inspiring English, sportmonitor, dans, houttechnieken …). Via succeservaringen ontdekt ieder waar zijn interesse meer of minder naar uitgaat, waar hij meer of minder aanleg voor heeft en welke studiekeuze hij het best kan maken.
Het gebruik van activerende werkvormen: de school streeft ernaar om jongeren zoveel mogelijk actief met de leerinhouden aan de slag te laten gaan. Via interactieve methodieken zijn leerlingen vanuit werkelijkheidsgetrouwe opdrachten actief betrokken bij hun eigen leerproces. Daarbij is er ook de ruimte voor creatieve en expressieve vormen van verwerking van leerstof. Afwisseling tussen verschillende activerende werkvormen maakt een les prettiger, versterkt de motivatie en betrokkenheid van de jongeren en schept ruimte voor differentiatie. Er is veel aandacht voor onderzoekend en samenwerkend leren waardoor het leren veel actiever verloopt.
Begeleid zelfstandig leren: hierbij delen leerlingen en leraar de sturing van het leerproces voor een bepaald leerstofonderdeel binnen een bepaalde tijd. Dat kan via een gedetailleerde planning, studiewijzers, sleutels of oplossingsbladen. Ook het differentiëren in ondersteuningsniveaus waarbij de leerlingen kunnen kiezen tussen meer of minder hulp bij het uitvoeren van een opdracht, is een mogelijkheid. Een belangrijk aspect is zelfreflectie. Leerlingen denken aan de hand van opdrachten, stellingen, of criteria na over hun aanpak, hun resultaten, hun werken in groep. Het proces naar zelfstandig leren verloopt stapsgewijs en op eigen tempo.
Participatie: de school houdt rekening met meningen, wensen, zorgen van de verschillende partijen (ouders, leraren, leerlingen). In en buiten de les kunnen leerlingen mee verantwoordelijkheid nemen, bijvoorbeeld via het leerlingenparlement. Leerlingen krijgen bijvoorbeeld de kans om tijdens hun schoolloopbaan minister van pers te zijn.
Deze principes hebben één zaak gemeen: de leerling is een actieve participant in zijn eigen leerproces. De school gelooft in het unieke van elke leerling in haar of zijn streven naar zelfrealisatie. Daarom wil ze mogelijkheden creëren voor de groei van iedereen. De nadruk ligt op de eigen activiteit, het ontdekken van de eigen talenten, het plannen, het werken in team en het in de hand nemen van het eigen leerproces. Het zijn stuk voor stuk elementen die de leraren bij elke leerling aanmoedigen. Op die manier creëert de school zoveel mogelijk een onderwijs op maat van elke leerling. Dat betekent dat de leraar niet langer alleen kennis overdraagt, hij begeleidt leerprocessen.
“Ik kon moeilijk afscheid nemen van mijn stoffig krijtbord maar met dit concept, de visie er achter en enthousiaste leerlingen gaat dat moeiteloos ”
De leeromgeving als hefboom voor onderwijstransformatie
De school zocht naar een manier om haar visie te veruitwendigen en te realiseren. Daarbij rees het idee om de leeromgeving volledig anders aan te pakken. Ze kwamen in contact met Deusjevoo, een decorbouwer in hart en nieren. Hun visie op leren en werken en die van creatief directeur Jo Peeters sprak de school enorm aan. Deusjevoo hecht immers veel aandacht aan de mensen die in de leeromgeving leren en werken. Via een enquête brachten ze de behoeften en belangen van leerlingen, leraren en ouders in kaart. Dat leidde tot belangrijke inzichten:
- de grootste behoefte is een plaats is waar groepen kunnen samenwerken, discussiëren, of waar men gewoon even heel enthousiast en luid mag zijn. Maar evengoed moet de ruimte uitnodigen tot stilte en concentratie. Deze twee samenbrengen in één ruimte lijkt op het eerste zicht onmogelijk. Toch kon Deusjevoo dit dilemma oplossen en laten ze de ruimte communiceren met de leerlingen en de leraren.
- Verder hebben de leraren nood aan een ruimte buiten de klasmuren waar ze op een andere manier les kunnen geven. Net zo goed moet deze ruimte groepswerk faciliteren.
- Technologie: een ruimte waar leerlingen alle beschikbare informatie ter wereld met één klik kunnen verkrijgen.
De conclusie is dat een school zoveel meer is dan een leerplan, dat iedereen andere behoeftes heeft en dat je die moet zien te integreren.
Een dergelijke vraag vereist een aangepaste infrastructuur en een creatieve, inspirerende leeromgeving. Het resulteerde in een open en multifunctioneel leercentrum waarin de vernieuwde onderwijsvisie met talentgericht onderwijs en activerende werkvormen centraal staan. Het is een plaats waar de leraren met de leerlingen in een rustige atmosfeer kunnen werken, zowel individueel als in groep. Leerlingen kunnen hier tijdens de lessen, in de vrije uren en na de schooluren terecht.
De Inspirodroom bevat een ovale arena waar je presentaties kan geven, naar een film kijken of een debat organiseren. Daarachter bevinden zich ronde tafels waarin iPads zijn ingewerkt om opzoekwerk te bevorderen. Leerlingen kunnen er samen aan een taak werken. Er is een apart instructielokaal waarbij er ongestoord les kan gegeven worden. Het is wel niet de bedoeling om deze ruimte op de klassieke manier te benutten. Meestal worden daar kortere instructiemomenten voorzien.
Leerlingen kunnen overal in de ruimte zitten. Alleen, met zijn tweeën of in kleine groepjes. Tijdens de lessen via een opdracht maar ook voorschools, tijdens de pauzes en na schooltijd, bijvoorbeeld via begeleide avondstudie. Want studeren moet je ook leren. Leerlingen kunnen in de Inspirodroom vragen stellen over de leerstof, krijgen studietips en leren een goede studiemethode en studieplanning aan.
Een fraaie bibliotheek zet leerlingen aan om in de vrije tijd of tijdens de lessen te lezen. Voor leerlingen is het een plek om zaken op te zoeken of een goed boek te vinden.
Daarnaast hecht het Inspirocollege veel belang aan taal. Daarvoor is een multimedia taallabo voorzien. In deze ruimte krijgen leerlingen bijvoorbeeld luisteroefeningen in een bepaalde taal. De leraar kan bij uitspraakoefeningen elke leerling apart beluisteren en feedback geven zodat enkel die leerling de leraar hoort.
De grote glaspartijen brengen natuurlijk licht en vormen een directe verbinding met buiten. In de binnentuin is er ruimte voor overleg en ontspanning. Het gebruik van ronde en zachte materialen dragen bij tot meer respect, verdraagzaamheid en zorgt dat leerlingen en leraren op een aangename manier met elkaar omgaan. Overal in de ruimte is tapijt gebruikt dat even hygiënisch is als een tegelvloer. Daardoor is de Inspirodroom in tegenstelling tot veel klaslokalen geen akoestische nachtmerrie. Zachte materialen zorgen voor absorptie en maken de ruimte aangenaam.
Via grote lampen wordt er ook met het licht in de ruimte gespeeld. Als van de leerlingen verwacht wordt dat ze geconcentreerd werken, kleuren de lampen rood. De Inspirodroom is dan een studie- of een rustplek. Leerlingen kunnen zich dan terugtrekken in de bib of in het treinstel. Vandaar hebben ze zicht op de groene en rustgevende buitenomgeving. Als de Inspirodroom groen kleurt, dan wil de ruimte de communicatie bevorderen met de arena als grootste communicatiefacilitator. Het is een plek waar leerlingen presentaties kunnen geven voor klasgenoten en leren spreken voor een groep. Leraren kunnen er een gesprek modereren en gastsprekers uitnodigen. Het leerlingenparlement is voorzien van een spiraaltafel om communicatie te bevorderen of debatten te voeren in eigen of andere taal. Maar ook de directie en de leraren kunnen hier overlegmomenten houden.
Bij samenwerken kleurt de ruimte blauw. De klaverbladtafels zijn ontworpen om samenwerking te faciliteren en zijn ideaal voor groepswerken en andere opdrachten waar leerlingen samen moeten werken om gestelde doelen te bereiken. Voor grotere groepen kan de arena gebruikt worden, het treinstel voor kleinere intiemere besprekingen.
Wat brengt de toekomst?
De Inspirodroom is geen eindpunt. Momenteel oogt het lesrooster nog vrij traditioneel en zijn de basismodules zijn nog steeds vakgericht. De school verplicht de leraren niet om in de Inspirodroom te komen werken. De ruimte heeft wel nog geen enkel uur leeg gestaan. Het zijn de leerlingen zelf die aan de leraren vragen om in de Inspirodroom les te mogen krijgen. Wat een sterke trigger is om de ruimte maximaal te benutten en om ook verdere innovatie in de school aan te wakkeren. En ondertussen stijgen de leerlingenaantallen.
De school werkt gestaag verder aan de toekomst. Momenteel zit de eerste graad in het nieuwe schoolgebouw, maar ook de andere graden krijgen een nieuw gebouw: op termijn wil de school twee nieuwe bouwprojecten aangaan, waarbij ze voor de 2° en 3° graad gelijkaardige ruimtes voor hun specifieke noden willen realiseren. Weer op basis van bevragingen bij ouders, leerlingen en leraren. En aan de Inspirodroom is ook een tuin gekoppeld om buiten te kunnen leren.
Verder zijn er ideeën om in de toekomst naast een Inspirodroom ook een Technodroom te bouwen. Aan dromen geen gebrek dus in het Inspirocollege. Stap voor stap is het schoolteam op weg naar een leeromgeving waarin leerlingen eigenaar kunnen worden van hun leren.
“Je mag zijn wie je bent, Met fouten en gebreken
Om te kunnen worden wie je in aanleg bent
En je mag het worden op jouw wijze en in jouw uur”
Activeer in je school ook de derde pedagogoog en bouw zo aan een krachtige leeromgeving
Naast de leraar en de medeleerling is de fysieke ruimte de 'derde pedagoog' die het leerproces stuurt. Toch blijft deze krachtbron in veel scholen onbenut. Dit artikel verkent hoe kleine ruimtelijke ingrepen een grote impact kunnen hebben op de autonomie en focus van leerlingen. Het activeren van de omgeving vraagt niet om een groot budget, maar om een bewuste blik op de interactie tussen de mens en zijn gebouwde omgeving.
De leeromgeving wordt ook al eens de 3e pedagoog genoemd, naast leerlingen en medeleerlingen, leraren en opvoeders. Uit onderzoek blijkt dat de omgeving waarin mensen vertoeven een enorme impact heeft op hun gedrag. Met andere woorden, de leeromgeving aanpassen kan een krachtige interventie zijn om verandering in je school te realiseren. Ben je bij de gelukkigen die binnen onafzienbare tijd over een nieuwbouw of renovatie kan beschikken? Dan is het belangrijk om de juiste stappen te zetten zodat de nieuwe leeromgeving voldoet aan je (toekomstige) wensen. Maar ook als dat niet het geval is, kan je via aanpassingen in de bestaande leeromgeving een grote impact creëren. Maar hoe begin je daar nu aan?
Maak een integraal pedagogisch plan
Als je de leeromgeving als ingangspoort neemt voor verandering, dan start je het best vanuit een ambitieuze en gedragen visie. Waar wil je als school naartoe? Wat is de stip op de horizon? Welke graad van eigenaarschap wil je dat leerlingen erin zullen hebben? Welke leerlingen wil je aan het vervolgonderwijs, het werkveld of de maatschappij afleveren? Vanuit die visie kun je tot een pedagogisch concept met leidende principes voor de komende jaren komen. Het transformatierad kan daartoe een handig denkmodel zijn. De leeromgeving is immers een van de wielen van het rad. Je kan je de volgende vragen stellen:
- welke leerinhouden zullen er in de leerruimte aan bod komen?
- op welke manier zullen leraren er les geven of op welke wijze leren leerlingen er?
- hoe gaan leerlingen en leraren hun leren bijsturen?
- Hoe ga je slim om met de leertijd?
- Welk leermateriaal heb je in die toekomstige leeromgeving nodig?
- Wie zal er allemaal nog in deze leeromgeving actief zijn?
- Hoe ga je dit alles in de toekomst organiseren?
EduNext transformatierad
Je kan daarbij in kaart brengen welke huidige patronen en gewoontes er in elk van de wielen van het transformatierad momenteel heersen en welke daarvan remmend zijn. Door er alternatieven voor te bedenken, kan je de negatieve patronen doorbreken. Uit die verschillende alternatieven kies je en kom je tot een geïntegreerd geheel. Daarbij maak je ook keuzes met betrekking tot het interieur. Dit doe je best alvorens dat je een (binnenhuis)architect of aannemer aanspreekt. Het vergt immers een grondige analyse van welke ruimte je precies nodig hebt om tot excellent leren te komen.
“Eerst vormen wij de leeromgeving, daarna vormt de leeromgeving ons”
Denk goed na over alle parameters
Naast het pedagogische luik zijn er nog belangrijke parameters als je een nieuwe leeromgeving bedenkt. In het boek Inspiratiegids voor klasinrichting en scholenbouw vind je er een aantal waar je best een goed antwoord op weet:
- Bezettingsgraad en groeipotentieel van de school (gebaseerd op demografische ontwikkelingen)
- Capaciteit van de school gebaseerd op de fysische normen
- Algemene ruimtelijke organisatie (kwaliteit inkom, binnen- en buitenruimtes)
- Toereikendheid voor ICT gebruik
- Risicopreventie (brandveiligheid, inbraak, vervuiling, bodem …)
- Kwaliteit van de architectuur en de omgeving (erfgoed, karakter, eigenheid)
- Staat van het gebouw (hoofdstructuur)
- Kosten voor bediening en onderhoud
- Inclusie (toegankelijkheid voor personen met beperkte mobiliteit)
- Comfort en welzijn (thermisch, akoestisch, visueel, lucht, hygiëne)
- Milieueffecten (energieverbruik, water, verspilling, biodiversiteit)
- Stedelijke integratie (openbare voorzieningen, brede school, mobiliteit)
Kom tot een vlekkenplan
Je hebt nu een idee van waar je naartoe wil en je weet wat de actuele situatie is. De volgende stap is een programma van wensen, eisen en verlangens ten aanzien van de toekomstige ruimtelijke indeling. Alvorens je een plattegrond met ruimtes en beperkingen laat tekenen, maak je best eerst een vlekkenplan. Dat bestaat uit een of meerdere plattegrondtekeningen die beschrijven welke personen of groepen bij elkaar in de buurt zitten. Per groep vul je deze als een vlek in de plattegrond in op basis van de vereiste minimumoppervlakken en de gewenste relaties met andere groepen. Door een schematisch voorstel in vlekken (zones) op te maken, deel je de beschikbare ruimte in volgens de leerbehoeften. Daarbij kan je best denken vanuit leeractiviteiten: wat ‘doen’ de leerlingen: zo ontstaat er een ruimte waar ze instructie krijgen, waar ze zelfstandig werken, waar ze coöperatief bezig zijn, waar ze creatief aan de slag gaan, waar ze reflecteren of bezinnen, waar ze sociaal geconnecteerd zijn …
Een vlekkenplan brengt deze ruimte in kaart en toont de verbindingen ertussen, hoe de circulatie verloopt en in hoeverre ruimtes niet storend zijn voor elkaar. Vooraf moet het ook duidelijk zijn welke leerzones je wil en hoeveel leerlingen er maximaal aanwezig zullen zijn.
Door ronde vormen te hanteren, vermijd je dat het een grondplan wordt. Gebruik een legende op basis van symbolen, namen en ruimtebeschrijvingen. Het is handig om de relatie tussen de verschillende vlekken te beschrijven. Vergeet niet dat je steeds vertrekt vanuit de activiteiten van de leerlingen. Daarbij is het belangrijk dat alle leerlingen van het begin af aan toegang hebben tot alle aspecten van het leren.
Vlekkenplan basisschool De Glinster - OSK-AR architecten
Je kan het vlekkenplan ook uitbreiden tot een moodboard waarbij je foto’s van inspirerende leeromgevingen plakt. Dat is handig om in gesprek te gaan met de (binnenhuis)architect en/of aannemer. Het is wenselijk om een architect of aannemer te kiezen met onderwijsinteresse en -ervaring. Liefst iemand met een gelijklopende en toekomstgerichte onderwijsvisie. In dat geval kan je voldoende ruimte laten voor zijn of haar creativiteit. Naast het functionele is het ook belangrijk dat de ruimte er goed uitziet en dat de gekozen materialen en kleuren warm aanvoelen.
Zorg voor een dynamsich, flexibel en innovatief concept
Het is een open deur. Je kan je nieuwe of aangepaste leeromgeving nog zo toekomstgericht ontwerpen, ooit komt er een dag dat je ze wil veranderen. Dan is het handig als de inrichting niet te vast is. Daarom is een modulaire en flexibele opbouw cruciaal. Een leerinfrastructuur met beweegbaar meubilair, multifunctioneel gebruik van ruimtes, aanwending van diverse werkvormen, beschikbaarheid over nieuwe technologieën, die de buitenwereld binnen brengen en omgekeerd. Het zijn lokalen met ruimte voor aanpassing en waar een waaier van werkvormen mogelijk zijn: doceren, vertellen, onderwijsgesprekken, klasgesprekken, hoekenwerk, zelfstandig begeleid werk, ICT-ondersteunend audio-visueel leren, projectwerk en zelfstudie
Waar jongeren graag vertoeven
Zorg voor een stimulerende leeromgeving die spannend, eigentijds, ondersteunend, bezielend en inspirerend is. Een omgeving waarin je wordt gestimuleerd om graag te leren en waar je je thuis voelt. Als het ware een tweede thuis: een veilige, warme en stimulerende plek.
“ Geef ons een plek waar we graag zijn
Lorenze Ramalho – voormalig leerling scholengroep Adite”
En tegelijk kan deze ruimte ook een multifunctioneel werkplek voor leraren en ondersteunend personeel zijn.
Op zoek naar mosterd?
Je hoeft het niet allemaal zelf uit te vinden. Zo vind je in de eerder vermelde inspiratiegids ideeën om je eigen scenario uit te bouwen. Daarbij hou je rekening met een pedagogische as en een architecturale as. Voor elk van die assen zijn er een aantal uitgangspunten. Afhankelijk van je gekozen visie kan je een of meerdere van die uitgangspunten kiezen.
Rhizo Lyceum Kortrijk - Lab 21.0
Een andere sterke inspiratiebron zijn de scholen die de Nederlandse ontwerpster Rosan Bosch vanuit Kopenhagen ontwerpt. Zij creëerde reeds heel wat innovatieve scholen, voornamelijk in Scandinavië. Zij gelooft in de fysieke leeromgeving als strategisch tool, als ruimtelijke interventie in onderwijskundige gebouwen om gemotiveerde leerlingen en creatieve probleemoplossers te vormen. Design als inspiratiebron voor verandering en als motivatie om nieuwe leerscenario's te ontwikkelen.
Rosan Bosch hanteert zes design principes:
- Mountain Top: een ruimte voor individuen om een groep aan te spreken of te bereiken;
- Cave: een stille ruimte voor persoonlijke concentratie, focus en reflectie. Vaak voorheen ongebruikte plaatsen in de school
- Camp Fire: een flexibele ruimte voor leersituaties in groep en kleine teams. Focus op dialoog, brainstormen, debatteren en samenwerken.
- Watering hole: combineert informele ruimtes met uitwisseling met voorbijgangers en storingen. Het is een ruimte waar leerlingen verrassende ideeën en verbazingwekkende vaardigheden ontdekken
- Hands-on voegt een extra non-verbale communicatiedimensie toe aan de hierboven beschreven principes
- Movement integreert beweging als een natuurlijk deel in alle ruimtes.
Deze design principes kan je gebruiken voor een nieuwbouw maar je kan deze ruimtes evengoed in elke bestaande school integreren.
Waar je ook nog inspiratie kan opdoen is in Niekée Roermond, de school die een tiental jaar geleden volledig verbouwd werd en waar in Agora leerlingen een persoonlijke leerroute doorlopen. Ex-directeur Sjef Drummen was een van de ontwerpers en volgens hem is een goede school een mix van:
- Harvard (ruimte om cognitief aan de slag te gaan)
- Een boeddhistisch klooster (ruimte voor reflectie, contemplatie, zingeving)
- Een marktplaats (interactie met de buitenwereld)
- Een atelier (waar je dingen kunt doen en maken)
- De Efteling (waar je kan spelen, ontdekken en verwonderd zijn)
Niekée Roermond
Ondersteuning nodig?
Misschien heb je bij de stap naar een nieuwe of aangepaste leeromgeving hulp nodig. EduNext inspireert en begeleidt scholen om van binnenuit te veranderen. Neem vrijblijvend contact op met Dirk De Boe op 0474/949448 of mail naar dirkdeboe@edunext.be
Geraadpleegde bronnen:
Klas met een hoek af - Inge Nuyens
The Third Teacher – 79 ways you can use design to transform teaching & learning
Blueprint for tomorrow – redesigning schools for student-centered learning – Prakash Naïr
Designing for a better worlds starts at school – Rosan Bosch
EduNext, transformeer je school van binnenuit – Dirk De Boe
Inspiratiegids voor klasinrichting en scholenbouw – Jo Tondeur en Lisa Herman
De ultieme gids voor transformatie van je school - Dirk De Boe en Peter Van de Moortel
Het schoolgebouw moet de visie langs muren en ramen uitademen – Jo Peters (Deusjevoo & UPspace)
Een schoolgebouw is nooit neutraal; het vertelt een verhaal over hoe we naar leerlingen en leren kijken. Jo Peters daagt scholen uit om hun muren letterlijk en figuurlijk te laten spreken. Door de fysieke ruimte te ontwerpen als een verlengstuk van de pedagogische visie, transformeert beton in een inspiratiebron. Hoe maak je van een gebouw een omgeving die uitnodigt tot beweging, ontmoeting en diepgaande verwondering?
Jo Peters is creatief directeur bij Deusjevoo, een Limburgs bedrijf dat gekend is voor zijn beursstanden, televisiedecors en interieurs. Wat weinig mensen weten is dat Deusjevoo ook in onderwijs actief is. Zo hebben ze de T2 campus in Genk gerenoveerd en creëerden ze de Inspirodroom, een prachtige leeromgeving in het Inspirocollege te Houthalen-Helchteren. Die school was op zoek naar een manier om zijn visie te vertalen in een gebouw. Toen ze de zienswijze van Jo hoorden, gingen ze met Deusjevoo in zee.
Breng je schoolgebouw tot leven
De visie van de school kan helder en gedragen zijn maar daarom leeft ze nog niet. Een visie is meer dan een bordje dat je bij het binnentreden van het gebouw of op de website aantreft. Als je geluk hebt, draagt iedereen op school de visie uit. Maar dan nog zit ze niet in het gebouw. Dat merk je meteen als je een school binnen komt. Ademt het gebouw de visie uit of niet? Vind je de visie terug als je door de gangen loopt of in de leraarskamer vertoeft? Wordt het interieur met materialen en kleuren consequent doorgetrokken? Vaak niet. Niet zelden is een school een kakafonie van materialen en kleuren met weinig lijn en eenheid. Een sterk design kan ervoor zorgen dat een gebouw met de bewoners in dialoog gaat en zo het verhaal van de school vertelt. Muren zijn immers dragers van informatie. Via een creatief design en out-of-the-box denken kan je die muren tot leven brengen. De impact van de omgeving op de personen die er leven of werken wordt nog te vaak onderschat.
Ontketen de breinen van leerlingen en leraren
Hoewel Jo reeds op 14 jarige leeftijd zijn grote droom najoeg en vanuit een tuinhuis groeide tot een van de grootste decorbouwers uit de lage landen, zag hij pas echt het licht toen hij Theo Compernolle, professor en auteur van het boek ‘Ontketen je brein’ ontmoette. Van hem leerde hij hoe je een optimale werkplek creëert met respect voor het brein. Wat een brein aankan of niet aankan bepaalt immers hoe een gebouw eruit ziet. Een van de hardnekkige mythes is dat we denken dat we kunnen multitasken. Velen onder ons proberen het toch elke dag. Het zorgt voor een gevoelige productiviteitsdaling, een flink grotere foutenmarge en toenemende stress. Als je je wil focussen kan je maar één ding tegelijkertijd. Ofwel ben je in focus in stilte, ofwel ben je aan het communiceren, ofwel maak je kabaal bij ontspanning of bij het samenwerken. Maar je bent nooit twee van deze dingen tegelijkertijd aan het doen. Toch zijn we stiekem verslaafd aan al die kleine duizenden dingen die ons de ganse dag bombarderen en die ons lekkere dopamine geven dat dan ook nog eens super verslavend is. Je moet daarom via het ontwerp van het gebouw uitsluiten dat leerlingen kunnen multitasken en zorgen dat ze focus behouden. Studeren en samenwerken gaat bijvoorbeeld niet tegelijkertijd. Daarom is het belangrijk om inzicht te hebben in het menselijk brein. Eigenlijk hebben we er drie: een reflexbrein dat ogenblikkelijk in werking treedt als er bijvoorbeeld een tijger komt binnengestormd, een reflecterend brein dat veel nadenkt, langzaam werkt en veel energie verbruikt, dit brein is uniek voor mensen en stelt ons in staat te leren en te innoveren en een archiverend brein dat verbindingen legt, informatie verwerkt en ordent.
Afbeelding uit het boek ‘Hoe je je brein bevrijdt’ - Theo Compernolle
Als je weet hoe je die drie breinen naast elkaar kunt laten werken in een gebouw, dan heb je een slim gebouw.
De vijf zones van een ideale leeromgeving
Met bovenvermelde inzichten komt Jo tot vijf zones in zijn leeromgevingen:
- Een plaats voor concentratie
- Een omgeving voor dialoog en communicatie
- Een zone om samen te werken
- Een vertrek om te recupereren
- Een ruimte om te circuleren
Door de ruimtes zorgvuldig te ontwerpen en op elkaar af te stemmen, kan je multitasken vermijden en kan je de breinen van de leerlingen gepast aanspreken.
Ergonomie is cruciaal. Onze leerlingen zitten bijvoorbeeld veel te veel. De meeste schoolgebouwen laten leerlingen het grootste deel van de dag op een stoel zitten die dan meestal nog niet eens ergonomisch is. De impact op fysiek en mentaal vlak enorm en lijdt vaak tot demotivatie naarmate leerlingen groter worden. Jongeren moeten al zittend positie nemen terwijl ze bewegende mensen zijn. Je kan een ruimte zodanig ontwerpen dat leerlingen gedurende de dag veel meer aan het bewegen zijn.
“Je kunt fout zitten maar je kunt nooit fout rechtstaan – Jo Peters”
In het Inspirocollege in Houthalen-Helchteren kunnen leerlingen zich bijvoorbeeld terugtrekken in de leerslang, een langgerekte trein voor het venster. Dat meubel zet aan tot hangen, klimmen, klauteren, liggen … en zitten. Het is ook een plek om individueel of in kleine groepjes in focus te werken. De hele Inspirodroom is zo opgevat dat quasi alle bewegingsvormen mogelijk zijn en dat het klassieke ‘zitten’ wordt vermeden. Zo zijn er grote klaverbladtafels waar een volledige klasgroep rond kan staan, en waar in groep werken gestimuleerd wordt.
Laat je leiden door lumineuze kleuren en hou de akoestiek in toom
Via licht kan je ook gericht aangeven welke activiteit op dat moment gewenst is in de leeromgeving. In de Inspirodroom gebeurt dat via grote cirkelvormige lampenkappen. Deze kappen veranderen van kleur in functie van de activiteit die er wordt gestimuleerd. Kleuren de kappen rood dan worden de gebruikers gestimuleerd tot concentratie en recuperatie. Dan maken zij het stil en wordt de hele Inspirodroom een studieplek. Kleurt de ruimte groen dan mag er gecommuniceerd worden. De blauwe kleur ten slotte geeft aan dat er mag samengewerkt worden. Niet te uitbundig maar wel in fluistertoon.
Een zorgvuldig ontworpen akoestiek is cruciaal. In heel wat basisscholen zie je onder de stoelen doorgesneden tennisballen. Om te zorgen dat er niet te veel lawaai is als kinderen hun stoelen verschuiven. Dat is mooie maar reactieve oplossing. Je moet de akoestiek van bij het ontwerp aanpakken. Dat betekent dat materiaalkeuze enorm belangrijk is. Zachte materialen zoals tapijt worden vaak geweerd in veel scholen omdat er teveel stof in kruipt en het moeilijk te onderhouden is. Toch is het een van de beste manieren om geluid te dempen. En momenteel bestaat er ook tapijt dat even hygiënisch is als een tegelvloer. Maar ook het gebruik van hout en beklede muren zorgen voor een beperkte nagalmtijd wat de akoestiek enorm ten goede komt. Het komt erop aan om op een creatieve manier de akoestiek onder controle te houden. Het gebruik van warme en dempende materialen zorgen er tevens voor dat de leerlingen er graag vertoeven.
Meer info vind je op deusjevoo.be en UPspace.be