Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Leiderschap in onderwijs is mensen verbinden en verandering dragen – Pieter De Winne in een interview met Lesley Arens van ZigZag HR

Ter gelegenheid van zijn nominatie voor de ZigZag HR Zohro award leidinggeven, kwam Pieter De Winne, algemeen directeur van GO! Scholengroep Impact, op de koffie bij Lesley Arens. Een heel mooi interview over nabijheid, nuance en duurzame verandering.

Ter gelegenheid van zijn nominatie voor de ZigZag HR Zohro award leidinggeven, kwam Pieter De Winne, algemeen directeur van GO! Scholengroep Impact, op de koffie bij Lesley Arens. Een heel mooi interview over nabijheid, nuance en duurzame verandering.

Pieter De Winne, AD Scholengroep Impact! en Lesley Arens (ZigZag HR)

Leidinggeven is samen met

Voor Pieter is leidinggeven geen solitaire rol. “Leading through” betekent: samen met anderen, met oog voor alle stakeholders. Van gemeentebesturen tot lerarenopleidingen, van social profits tot hogescholen. Je kan als organisatie veel realiseren, maar zonder samenwerking is het veel moeilijker om de verandering duurzaam te maken.

Een leider zonder visie is een mens – Pieter De Winne

De scholengroep kende enkele jaren terug een moeilijke periode. Toen Pieter aan het roer kwam, zette hij in op terug ontmoeten en begroeten. In het begin misschien wat onwennig maar geleidelijk aan groeide dat uit tot echte dialoog. Welgemeend en authentiek met elkaar in relatie gaan. Daarbij is de participatieladder een belangrijk instrument. Daaruit ontstonden werkgroepen en denktanks om samen opnieuw richting te kiezen.

Kwetsbaarheid als hefboom

De scholengroep ging een aantal jaar terug door een moeilijke periode. Toen Pieter begon, lag er nog veel op de lever. Pieter stelde zich heel kwetsbaar op door een baggersessie te organiseren waarbij alles naar buiten mocht komen. Hij luisterde en  ontkrachtte niets. Hij capteerde om later op een aantal dingen terug te komen. Door het veilige kader kon iedereen het eens goed zeggen. Leiderschap in onderwijs vraagt nabijheid, moed en het vermogen om frictie niet uit de weg te gaan. Niet kiezen voor gemak, maar voor wat nodig is. Daarnaast ook Memento Mori, reflecteren op de eindigheid van het leven. Op dat moment ben je heel kwetsbaar en kun je je ego aan de kant houden.

Moed boven gemak – leuze GO! Scholengroep Impact.

Impact als cultuur

Impact is iets wat je zou moeten merken, niet iets dat op de voorgrond is. Het is een vorm van cultuur. De scholengroep gebruikt het DALI principe (Dare, Act, Learn, Inspire). Impact is iets wat je voelt wanneer je een school binnenstapt. Geen collectieve identiteit, wel een gedeelde cultuur waarin elke school haar eigenheid bewaart.

Tegelijk is zichtbaarheid belangrijk. Een marketingteam gaat actief op zoek naar sterke praktijkvoorbeelden in de scholengroep en deelt die via uiteenlopende kanalen (socials, Focus TV, geschreven pers, VTM …).

De pagina omdraaien

Over de historiek moet je ook open durven spreken. En die zelfs opzoeken en kijken naar de groepsdynamica. Op een seminarie hebben ze samen letterlijk de pagina omgedraaid. Dat zorgt voor een ‘closure’. Dat betekent dat de pagina wel in het schoolboek blijft zitten. Maar ze moeten er niet elke keer weer naar toe en hoeven niet dezelfde fouten opnieuw te maken. Als ze er maar van leren. Elke crisis zorgt voor nieuwe leerpunten …

Van standpunten naar visie

De buitenwereld komt vandaag volop de school binnen: artificiële intelligentie, het dragen van een hoofdoek, de oorlog in Ukraïne en Gaza … Pieter pleit ervoor om weg te blijven van standpunten. Die polariseren en sluiten mensen uit. Een visie op hoger niveau houdt het gesprek open en creëert veiligheid en nuance. Want meestal ken je niet alle feiten of schat je de context verkeerd in. Je kunt je dan gemakkelijk verbranden aan standpunt.

Omdenken als leiderschapsvaardigheid

Pieter is een fan van Omdenken. Vroeger keek de scholengroep naar moeilijke situaties vaak als naar een probleem. Stilaan ontstond de  mindsetshift  om er als een uitdaging te leren naar kijken.  In plaats van te vragen: “Wat is er nodig?” — een vraag die vaak druk zet — stelt hij liever: “Wat is er mogelijk?”. Dat zet aan tot out-of-the-box denken en constructief zijn. Dat wint het op de lange termijn altijd.

Bron: Omdenken

Onderwijs als motor van een samenleving

‘Onze klant’, zegt Pieter, ‘is de maatschappij’. Daarom is burgerschap zo essentieel. Kennis is belangrijk, maar pas waardevol als leerlingen er als burger mee in het leven kunnen staan. Zichtbaarheid en nabijheid zijn belangrijk. Wanneer Pieter scholen bezoekt, dan voelt hij er zich altijd welkom. Hij doet normaal en is oprecht geïnteresseerd in de kinderen en het werk van de teams. Op die manier komt het los. Dat zorgt op termijn voor leerwinst en versterkt de relatie.  “Als je de maatschappij wil veranderen, is onderwijs een deel van de oplossing.”, zegt Pieter. Die overtuiging doet hem elke ochtend vroeg opstaan. Onderwijs is geen eiland, het is een vorm van ondernemerschap met maatschappelijke impact en zingeving.

 Wat Pieter trots maakt, is waar de organisatie vandaag staat. Dat geeft energie en motiveert om verder te bouwen.

We nodigen je graag uit om het volledige ZigZag HR interview met Pieter De Winne te bekijken. Lesley Arens, vroeger zelf actief in het onderwijs, stelt daarbij mooie en zinvolle vragen.

Pieter De Winne bij ZigZag HR

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Kennisrijk, kansrijk - naar een onderwijscurriculum van diepe denkers - Tim Surma en co-auteurs

Volgens de auteurs van Kennisrijk Kansrijk moet kennis opnieuw een centrale rol krijgen in het onderwijs. De laatste decennia is de aandacht volgens hen te veel gegaan naar (generieke) vaardigheden en competenties. Kennis vormt nog steeds de basis voor leren. Complexe vaardigheden zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen en begrijpend lezen zijn onmogelijk zonder een stevige kennisbasis.

Volgens de auteurs van Kennisrijk Kansrijk moet kennis opnieuw een centrale rol krijgen in het onderwijs. De laatste decennia is de aandacht volgens hen te veel gegaan naar (generieke) vaardigheden en competenties. Kennis vormt nog steeds de basis voor leren. Complexe vaardigheden zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen en begrijpend lezen zijn onmogelijk zonder een stevige kennisbasis. Kennis verruimt ons denkvermogen en vergroot onze mogelijkheden om de wereld te begrijpen en er effectief in te handelen. De schrijvers focussen in het boek op secundaire kennis zoals lezen, schrijven, wiskunde, wetenschappelijke en historische inzichten. Deze kennis verwerf je niet vanzelf, ze moet expliciet worden onderwezen en geleerd.

Cover en achterflap Kennisrijk Kansrijk

Het menselijke geheugen

De schrijvers geven vanuit een leerperspectief inzicht hoe kennis tot stand komt. Een belangrijk inzicht voor leraren is de werking van het menselijke geheugen. Naast het werkgeheugen dat beperkt is en slechts 4-7 elementen tegelijk (kort) kan vasthouden, beschikken we ook over een langetermijngeheugen dat vrijwel onbeperkt is. Naarmate de kennis in je langetermijngeheugen toeneemt, des te groter de kans dat je nieuwe kennis gemakkelijker kunt opnemen. Experts zijn immers succesvol omdat zij kennis hebben geautomatiseerd en nieuwe informatie aan bestaande structuren kunnen koppelen en dus kunnen ‘chunken’. Als je die structuren nog niet hebt, is dat veel lastiger. Hoe meer je weet, hoe meer ruimte er in het werkgeheugen vrijkomt om complexere taken uit te voeren. Daarom is voorkennis bij leren zo belangrijk (bouwsteen 1 voor effectieve didactiek). De voorwaarde hiervoor is dat de voorkennis ook geactiveerd wordt, congruent is met en aansluit bij de nieuwe kennis en relevant is voor de taak. Als je op die manier relevante kennis en vaardigheden in je langetermijngeheugen ter beschikking hebt, dan komt er waardevolle ruimte in je werkgeheugen vrij om complexere denktaken aan te pakken. Het draait in sé allemaal om automatisering.

Wat je weet, bepaalt wat je ziet.
— Auteurs Kennisrijk Kansrijk

Complexe denkvaardigheden

De auteurs stellen dat je – los van kennis – geen (generieke) vaardigheden kunt aanleren en dat complexe denkvaardigheden altijd domeinspecifiek zijn. Kritisch denken of probleemoplossend denken kan niet los worden gezien van inhoudelijke kennis. Lezen en tekstbegrip illustreren dit: zonder achtergrondkennis blijft begrijpend lezen oppervlakkig. Auteurs van teksten of boeken gaan er meestal van uit dat de lezer een zekere achtergrondkennis heeft, zo niet zouden ze veel extra informatie moeten toevoegen die voor de meeste lezers irrelevant is en de flow bij het lezen weg zou nemen.

Sociologisch en democratisch perspectief

In de onderwijsidealen van de 21e eeuw is volgens de schrijvers te veel nadruk gelegd op generieke vaardigheden (zoals samenwerken of creatief denken) en is het aanleren van deze vaardigheden te veel losgekoppeld van de inhoud. Het aanleren van generieke vaardigheden op zich heeft immers weinig tot geen transferwaarde. Tenzij je die specifieke vaardigheden kunt koppelen aan bepaalde kennisdomeinen. Vaardigheden zijn enkel betekenisvol wanneer ze worden geoefend binnen concrete vakkennis.

Disciplinaire kennis opent werelden die leerlingen zelf nooit zouden kunnen ontdekken. Het stelt hen in staat om voorbij hun eigen ervaringen te kijken en deel te nemen aan bredere wetenschappelijke en culturele discussies. Onderwijs bepaalt mede wie we als samenleving willen zijn en welke waarden we willen doorgeven. In een democratie is het essentieel dat alle kinderen toegang krijgen tot een gemeenschappelijke kennisbasis. Zonder expliciete kennisoverdracht zullen juist kansarme kinderen achteroplopen. Wat de titel van het boek aangeeft. Culturele geletterdheid is de basiskennis die nodig is om volwaardig deel te nemen aan de maatschappij en vormt de sleutel tot gelijke kansen. Een gedeelde kennisbasis bevordert inclusie, samenhorigheid en geïnformeerde deelname aan het publieke debat.

Kennis en het curriculum

Een curriculum is een plan voor leren in de tijd. Het is meer dan een lijst leerdoelen: het weerspiegelt de visie op de rol van onderwijs en kennis. Aangezien onderwijstijd schaars is, zal je bij de selectie van leerinhouden prioriteiten moeten stellen.

De auteurs schetsen drie curriculumtypes:

  • Future 1: kennis als vaststaand, traditioneel en canoniek. Vaak geëvalueerd via afvinklijsten

  • Future 2: leerlinggericht, constructivistisch, met nadruk op vaardigheden boven kennis.

  • Future 3: een evenwicht waarin kennis centraal staat, maar altijd gekoppeld aan betekenisvolle toepassing en complexe vaardigheden. Dit laatste curriculumtype is het voorstel van de auteurs.

Een kennisrijk curriculum definiëren de schrijvers als:

  • Concept- en kennisgestuurd

  • Systematisch opgebouwd in diepte en breedte.

  • Gericht op hoge verwachtingen voor alle leerlingen.

  • Rijk aan vakinhouden en voorbij dagelijkse ervaringen.

  • Een basis voor complexe vaardigheden waardoor verdieping en nieuwe kennis mogelijk wordt

Inhoudelijke rijkdom van het curriculum

Een evenwichtig curriculum biedt volgens de schrijvers - naast taal en rekenen - ook ruimte voor kunst, geesteswetenschappen en wetenschap. Hierdoor krijgen leerlingen kansen om hun interesses en talenten te ontdekken en ontwikkelen.

De selectie van curriculuminhouden vraagt aandacht voor:

  • Hiërarchie van kennis: heel wat concepten moeten leerlingen in een logische volgorde leren (bijv. kennis van het menselijk lichaam voor inzicht in spijsvertering).

  • Samenhang: losse feiten zijn onvoldoende, de ambitie is dat leerlingen conceptuele netwerken creëren.

  • Relatie kennis-vaardigheden: geen tegenstelling maar wederzijds versterkend.

 Coherentie en helderheid

Onderdelen van het curriculum hangen het best logisch samen en bouwen voort op elkaar:

  • Verticale coherentie: opbouw in de tijd, met duidelijke leerlijnen waarbij leraren de voorkennis van leerlingen steeds activeren en benutten

  • Horizontale coherentie: verbindingen tussen vakken, dit kan volgens de schrijvers in het basisonderwijs thematisch mits de disciplinaire basis intact blijft.

Het idee van grote ideeën in disciplines helpt om het curriculum te structureren: overkoepelende concepten die richting geven aan leerdoelen en evaluatie.

Daarnaast zijn heldere leerdoelen essentieel om samenhang en hoge verwachtingen te garanderen. Te vage doelen leiden tot willekeur, te gedetailleerde doelen, tot een checklist zonder diepgang.

Foto Tim Surma tijdens boekvoorstelling LannooCampus

Kennisrevival

De auteurs pleiten voor een kennisherwaardering: kennis vormt de basis van leren, burgerschap en persoonlijke ontwikkeling. Generieke vaardigheden bestaan niet los van kennisdomeinen. Leraren moeten begrijpen hoe kennisstructuren zijn opgebouwd en hoe ze deze kunnnen doorgeven. Alleen dan kan een kennisrijk curriculum tot zijn recht komen. De auteurs doen een oproep om kennis (terug) centraal te zetten in onderwijs en curriculum.

Kritische kanttekeningen

Het boek focust voornamelijk op leren. Door sterk te focussen op kennis als fundament ontstaat het risico dat onderwijs wordt herleid tot een cognitieve machine: zoveel mogelijk kennis efficiënt en coherent overdragen. Dat is belangrijk, maar onvoldoende. Het kan leiden tot een curriculum dat cognitief rijk maar pedagogisch smal is. Scholen zouden hierdoor kunnen voorbijgaan aan de vorming van de hele persoon zoals o.a. Gert Biesta en Joris Vlieghe voorstaan. In het boek staat het woord ‘voelen’ bijvoorbeeld geen enkele keer vermeld terwijl het integreren van denken (hoofd), voelen (hart) en doen (handen) bijdraagt aan een holistische ontwikkeling van de leerling. Daarnaast komen in het boek voornamelijk complexe denkvaardigheden aan bod. Persoonlijke of interpersoonlijke vaardigheden zoals zelfreflectie, feedback kunnen geven en ontvangen, samenwerken en communicatie krijgen geen specifieke aandacht. Nochtans zijn deze vaardigheden cruciaal om goed te kunnen samenleven en samenwerken. De auteurs hebben natuurlijk een punt dat ook voor deze (generieke) vaardigheden de desbetreffende kennisinhouden onontbeerlijk zijn. Daarnaast is sociaal leren geen expliciete focus van het boek.  

Ook schenken de auteurs weinig aandacht aan autonomie van leerlingen. De auteurs hadden explicieter kunnen vermelden hoe je een kennisrijk curriculum kunt inrichten op een manier dat het de autonomie van leerlingen ondersteunt: bijvoorbeeld door keuzes te bieden (welke onderdelen je bestudeert, op welke manier), door leerlingen te betrekken in reflectie over hun leerproces en door scaffolding (steunen en geleidelijk loslaten) zoals Maarten Van Steenkiste beschrijft in Het ABC van motivatie.

Conclusie

Het boek is een pleidooi om kennis terug een centrale positie bij het leren te laten innemen. Het biedt een sterk inzicht in hoe kennis in het geheugen van leerlingen wordt opgebouwd en hoe je daar als leerkracht tijdens je lessen aandacht kunt aan besteden. Het toont overtuigend en wetenschappelijk onderbouwd aan dat voor vaardigheden zoals kritisch denken, probleemoplossend vermogen en begrijpend lezen kennis de basis vormt. Daarmee krijgen ook kinderen uit kansarme milieus toegang tot cruciale kennis die hen bij het ontbreken van een ondersteunde thuisomgeving en bij een schoolfocus op generieke vaardigheden ontzegd wordt. Dit zorgt voor meer gelijke kansen.

Het boek toont ook aan de samenstelling van een curriculum weloverwogen moet gebeuren met voldoende coherentie, helderheid en inhoudelijke rijkdom. Om dit beoogde curriculum dan weer om te zetten in een uitgevoerd curriculum, is de rol van de leraar cruciaal. Volgens de auteurs een enorme uitdaging voor de lerarenopleiding en voor verdere professionalisering van leraren. Het boek is uitgegeven bij LannooCampus.

 

 

 

 

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Code Rood - hoe oranje en groen gedrag het succes in teams bepalen - Eric van 't Zelfde

Eric van ’t Zelfde - voormalig schoolleider en bekend om zijn onorthodoxe en daadkrachtige aanpak in het onderwijs - publiceerde met Code Rood een boek dat zowel een analyse van als een handleiding voor organisatiecultuur wil zijn.

Eric van ’t Zelfde - voormalig schoolleider en bekend om zijn onorthodoxe en daadkrachtige aanpak in het onderwijs - publiceerde met Code Rood een boek dat zowel een analyse van als een handleiding voor organisatiecultuur wil zijn. De kern van het boek draait om de zogenoemde driekleurenmethodiek, waarmee hij gedrag en prestaties van medewerkers categoriseert in rood (toxisch en ondermijnend), oranje (ontwikkelbaar maar nog niet stabiel) en groen (constructief, betrouwbaar en succesvol).

Code Rood - Eric van ‘t Zelfde - Uitgeverij Boom

Een methodiek voor gedrag en prestatie

De auteur maakt een scherp onderscheid tussen kwantitatieve en kwalitatieve personeelstekorten. Terwijl het eerste volgens hem vooral een politiek probleem is (te weinig docenten), is het tweede iets die organisaties zelf moeten oplossen: het tekort aan kwalitatief en constructief gedrag. Volgens hem ligt de essentie van onderwijs en organisatieontwikkeling vooral in mensen en hun houding.

De driekleurenmethodiek fungeert daarbij als lens om teams te analyseren:

-            Rood gedrag wordt gekarakteriseerd door sabotage, negativiteit en ondermijning.

-            Oranje staat voor onvolwassen of onervaren gedrag dat met begeleiding kan groeien.

-            Groen vertegenwoordigt de medewerkers die betrouwbaar zijn, resultaten leveren en het team versterken.

Deze indeling is confronterend omdat zij expliciet het structureel waarneembare gedrag beoordeelt en niet de persoon zelf. Dit is volgens de auteur een instrument dat leiders dwingt om objectief te kijken, zonder te vervallen in persoonlijke voorkeuren of vaagheden.

Theoretische en psychologische basis

Het boek staat niet los van bredere theorieën over menselijk gedrag en organisatieontwikkeling. De auteur baseert zich op de transactionele analyse, een psychoanalytische methode die interacties ontrafelt om inzicht in gedrag te krijgen. Ook besteedt hij aandacht aan de rol van emotionele intelligentie (EQ), naast vakinhoudelijke kennis (IQ) en energie (= accu). Hij breidt dit verder uit met UMPH (de moed en daadkracht om te handelen vanuit wat nodig is, niet slechts vanuit wat toegestaan is).

Praktische interventies

Een groot deel van Code Rood is gewijd aan de vraag wat leidinggevenden kunnen doen met de indeling rood–oranje–groen. Hierbij presenteert de auteur drie interventiestrategieën:

  1. De groei-benadering, waarin vooral wordt geïnvesteerd in oranje medewerkers met groeipotentieel.

  2. Ingrijpen op rood, waarbij destructief gedrag actief wordt geïsoleerd of verwijderd.

  3. Simultaan schaken, een combinatie van de twee: ontwikkelen van oranje en groen, terwijl rood beperkt wordt.

Deze strategieën zijn niet vrijblijvend: de auteur benadrukt dat een directie bereid moet zijn om harde keuzes te maken, inclusief het vertrek van medewerkers die een blijvende negatieve invloed uitoefenen. Hij stelt bijvoorbeeld dat een te groot aandeel rood personeel (meer dan 5%) de hele organisatie kan ondermijnen.

De praktische kracht van het boek ligt in de concrete handvatten. Van het letterlijk in kaart brengen van personeelslijsten tot het onderscheiden van subgroepen binnen oranje of rood – Van ’t Zelfde biedt een taal en methodiek waarmee schoolleiders en hun teams kunnen analyseren en gericht kunnen sturen.

Stijl en toon

Eric Van ’t Zelfde schrijft in een zakelijke en vaak confronterende stijl. Hij schuwt niet om harde waarheden te benoemen: rode medewerkers veroorzaken schade, directies die niet durven ingrijpen werken mee aan dit verval. Deze toon kan voor sommige lezers hard overkomen, maar draagt ook bij aan de urgentie die hij wil oproepen: leiderschap vraagt om moed, integriteit en het vermogen om beslissingen te nemen, ook wanneer die impopulair zijn.

Eric van ‘t Zelfde in Linkedin post

Tegelijkertijd biedt hij ook ruimte voor nuance. Zo benadrukt hij dat rood gedrag soms het gevolg is van pijn, frustratie of slechte ervaringen met eerdere directies. Daarmee wijst hij op de verantwoordelijkheid van leiders om niet alleen te sanctioneren, maar ook te begrijpen waar gedrag vandaan komt.

Kritische kanttekeningen

De indeling in rood, oranje en groen is bruikbaar als model, maar kan in de praktijk te beperkend zijn. Menselijk gedrag is complex en situationeel: iemand kan in de ene context groen gedrag vertonen, en in een andere oranje of zelfs rood. Het risico bestaat dat leidinggevenden te snel etiketten gaan plakken, wat averechts kan werken. Daarnaast weten we natuurlijk met zijn allen dat het in het onderwijs niet eenvoudig is om mensen met destructief gedrag te ontslaan.

Daarnaast mist het boek soms een bredere maatschappelijke reflectie. Het personeelstekort in het onderwijs wordt in de proloog wel aangestipt, maar daarna vooral op individueel en organisatorisch niveau besproken. De structurele oorzaken – werkdruk, beloning, maatschappelijke waardering – blijven onderbelicht (wat wellicht ook niet de ambitie van de auteur en het boek is). Daardoor kan de indruk ontstaan dat cultuurproblemen uitsluitend intern oplosbaar zijn, terwijl externe factoren minstens zo bepalend zijn.

Eric van ’t Zelfde presenteert zijn methode met overtuiging, maar laat weinig ruimte voor alternatieve visies of kritische reflectie op de beperkingen van zijn model. Voor lezers die een meer academische of neutrale analyse zoeken, kan dit als een tekort worden ervaren.

Conclusie

Code Rood is een krachtig, helder en praktisch boek over leiderschap en organisatiecultuur, geschreven vanuit de ervaring en overtuiging van de auteur. Met de driekleurenmethodiek biedt Van ’t Zelfde een instrument dat organisaties kan helpen om gedrag bespreekbaar te maken en gericht te sturen op groei en succes. Een kritische noot hierbij is dat labeling via kleuren nooit een doel op zich mag zijn, maar moet altijd verbonden blijven met dialoog, reflectie en begeleiding. Het model vraagt dus veel zorgvuldigheid en kan – wanneer niet op die manier gebruikt – een averechts effect sorteren. Het boek is uitgegeven bij Boom.

 

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Kort Lontje – Waarom conflicten vermijden niet altijd de juiste keuze is - Annick Jehaes & Karen Van den Broeck

Het boek Kort Lontje van Annick Jehaes en Karen Van den Broeck biedt leraren, zorgcoördinatoren, directies, leerondersteuners en andere opvoeders een rijk kader om conflicten beter te begrijpen en er constructief mee om te gaan. Centraal staat het idee dat conflicten niet per se destructief zijn, maar kansen bieden voor groei mits mensen er goed mee omgaan.

Leerlingen en leraren brengen hun emoties, frustraties en spanningen mee naar school. Daardoor zijn botsingen tussen leerlingen onderling, tussen leerling en leraar, en binnen een lerarenteam haast onvermijdelijk. Hoe je daarmee omgaat, bepaalt de sfeer in de klas of op school en ook het leerklimaat en het welzijn van iedereen.

Het boek Kort Lontje van Annick Jehaes en Karen Van den Broeck biedt leraren, zorgcoördinatoren, directies, leerondersteuners en andere opvoeders een rijk kader om conflicten beter te begrijpen en er constructief mee om te gaan. Centraal staat het idee dat conflicten niet per se destructief zijn, maar kansen bieden voor groei mits mensen er goed mee omgaan.

Cover en achterflap van het boek Kort Lontje - Annick Jehaes en Karen Van den Broeck - uitgegeven bij Borgerhoff & Lamberigts

kort lontje als spiegel

De titel verwijst naar het fenomeen van mensen die snel uit hun evenwicht raken en heftig reageren. In een klascontext herkent iedere leraar dit: een leerling die meteen ontploft bij een opmerking, de collega die weinig geduld heeft of de eigen momenten waarop spanning overslaat in boosheid.

“Je speelt zelf, hoe subtiel ook, altijd een rol in een conflictsituatie. Het vraagt moed om kritisch naar je eigen aandeel te kijken, maar dit heeft een grote impact als je constructief met conflicten omgaat.”

De auteurs maken duidelijk dat een kort lontje lastig is voor de omgeving en ook een signaal is van iets diepers: onvervulde behoeften, angsten of frustraties. Boos gedrag van een leerling is vaak niet tegen de leraar gericht, maar ontstaat dikwijls vanuit onderliggende kwetsuren. Door het gedrag als spiegel te zien in plaats van als aanval, kan een leraar ruimte scheppen voor empathie en constructieve reacties.

Conflicten als leer- en groeimomenten

De auteurs geven aan dat conflicten ons iets leren over onszelf. Ze onthullen wat wij belangrijk vinden en waar onze grenzen liggen. Dat betekent dat een ruzie tussen leerlingen of een botsing in het team een kans biedt om waarden, behoeften en communicatie bespreekbaar te maken.

Voor leraren kan dit tweeledig zijn:

  1. Voor jezelf: waarom raakt het gedrag van een leerling je zo? Welke triggers spelen er?

  2. Voor de klas: hoe kan je een conflict benutten om leerlingen te leren omgaan met emoties, verschil van mening en respectvolle communicatie?

Dit sluit mooi aan bij de pedagogische opdracht van scholen: leerlingen kennis bijbrengen en ook hun sociale en emotionele vaardigheden versterken.

Communicatie in de klas

De schrijvers besteden veel aandacht aan communicatie. Daarbij onderscheiden ze drie instrumenten:

  • Taal: woorden kunnen verbinden of verdelen. Een leraar die in een conflict belerend of veroordelend spreekt, kan onbedoeld olie op het vuur gooien. Het benoemen van emoties zonder te oordelen daarentegen vermindert vaak de spanning.

  • Toon: stemgebruik speelt een belangrijke rol. Een rustige, lage toon kan kalmeren, terwijl een scherpe of luide stem juist escalerend kan werken.

  • Lichaamstaal: deze bewust inzetten, bijvoorbeeld door nabijheid te zoeken of juist even afstand te nemen, helpt om spanningen te reguleren.

Annick Jehaes en Karen Van den Broeck hebben het bij een aanpak van conflicten over een U-beweging die je kan maken:

  1. Eerst de emoties toelaten en erkennen (de dalende beweging),

  2. Dan het keerpunt bereiken waarin hernieuwd contact ontstaat,

  3. Ten slotte samen zoeken naar oplossingen (de opwaartse beweging).

Op die manier kun je doelgericht naar herstel werken.

Situationele conflictstijlen

De schrijvers onderscheiden vijf conflictstijlen:

  • Doordrukken kan orde afdwingen, maar lokt ook weerstand uit.

  • Vermijden kan op korte termijn rust geven maar op lange termijn frustraties.

  • Toegeven kan de relatie met een leerling beschermen, maar ten koste van je eigen grenzen.

  • Een compromis kan handig zijn bij kleine meningsverschillen, zoals afspraken rond groepswerk.

  • Samenwerken is vaak de meest constructieve stijl, vooral bij klasconflicten waarin alle partijen zich gehoord moeten voelen.

Wanneer je alles uit de kast haalt om de ander te overtuigen, vuur je negatieve woorden en kwetsende verwijten af. Je gooit zo olie op het vuur en je daagt mensen met een kort lontje extra uit.

Geen enkele stijl is de juiste. Het best is het om - afhankelijk van de context - te kunnen schakelen. Leraren kunnen bewust leren kiezen welke stijl op dat moment nodig is in plaats van automatisch te reageren.

Positie en macht

In een school spelen machtsverhoudingen voortdurend mee: leraar-leerling, directeur-leraar, ervaren collega-startende leraar. De auteurs wijzen erop dat een asymmetrische relatie (waarbij de ene partij meer macht heeft) spanningen kan uitlokken als die macht niet met verantwoordelijkheid en respect wordt ingevuld. Zo mag macht van leraren over leerlingen nooit leiden tot machtsmisbruik. Tegelijk is het cruciaal om leerlingen voldoende autonomie te geven zodat ze eigenaarschap ervaren.

Positie en macht zijn extra belangrijk voor beginnende leraren. Het helpt hen bewust worden van hun positie in het team en hun houding tegenover leerlingen. Zo kunnen ze ook leren om gezag uit te oefenen zonder autoritair te worden.

Conflicten binnen teams

Botsingen tussen collega’s of spanningen met de schoolleiding zijn vaak onvermijdbaar. Daarbij maken Annick Jehaes en Karen Van den Broeck het onderscheid tussen inhoudelijke conflicten (over beleid, aanpak of taakverdeling) en relationele conflicten (over samenwerking of persoonlijkheden). Vaak worden relationele spanningen verhuld als inhoudelijke discussies. Het is de kunst om door die laag heen te kijken en het echte probleem te benoemen. In het boek geven de auteurs daarvoor verschillende handvaten en preventieve tips zoals het stellen van duidelijke doelen, het maken van heldere afspraken en aandacht voor onderlinge relaties. Door hierin te investeren, vermijd je dat kleine meningsverschillen uitgroeien tot serieuze conflicten.

Je neemt lading weg van een conflict door begrip te hebben voor de motieven van de ander, empathie te tonen voor de andere persoon en de situatie te bekijken door de ogen van de ander zonder je eigen standpunt op te geven.”

Auteurs Karen Van den Broeck en Annick Jehaes

Innerlijke conflicten en zelfzorg

Leraren dragen zelf ook innerlijke conflicten mee. Het is een dagelijkse uitdaging voor iedereen om te balanceren tussen authenticiteit (jezelf blijven) en conformiteit (voldoen aan verwachtingen van school, ouders of inspectie). De schrijvers benadrukken het belang van zelfzorg en zelfacceptatie. Weten waar je grenzen en triggers liggen, realistische doelen stellen en mild zijn voor jezelf. Immers, wie uitgeput is, kan moeilijk empathisch of constructief reageren. Door goed voor zichzelf te zorgen, kan een leraar, zorgco of leerondersteuner er ook beter zijn voor de leerlingen.

Conclusie

Kort Lontje is zeer bruikbaar voor leraren, mentoren, zorgcoördinatoren, directies, leerondersteuners en andere opvoeders. Veel beschreven situaties spelen zich dagelijks in de klas of school af. Het boek reikt ook praktische handvatten aan. Een grote kracht van dit werkstuk is dat het leraren uitnodigt om niet alleen te kijken naar de lastige leerling of de moeilijke collega, maar hen ook laat reflecteren over  hun eigen rol, hun eigen emoties en hun eigen stijl. Wat zeggen conflicten over jezelf als onderwijsprofessional en hoe kun je groeien in je rol? Het boek toont aan dat zelfkennis, empathie en flexibiliteit de sleutel zijn tot een constructieve omgang met spanningen. We hebben het boek graag gelezen. Het is uitgegeven bij Borgerhoff & Lamberigts.

 

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Over de aard en het nut van creativiteit - Ilja Leonard Pfeijffer

Op 8 december 2023 betrad Ilja Leonard Pfeijffer, dichter, schrijver en classicus en bekend van boeken als La Superba, Grand Hotel Europa en magnus opus Alkibiades, opnieuw de academische grond van zijn alma ater, de universiteit van Leiden, tijdens zijn Huizingalezing. Het werd een optreden dat de grenzen tussen literatuur, filosofie en maatschappelijk betoog opzocht. Zijn onderwerp: creativiteit, opgevat als de essentie van kunst én wetenschap, en als een onmisbare kracht voor de toekomst van onze samenleving. In tijden van focus op kennisrijke curricula mag creativiteit als cruciale vaardigheid en attitude niet onderschat worden, zo toont de auteur in zijn essay overtuigend aan.

Cover (gemaakt door de auteur via AI) en achterflap van het boek uitgegeven bij EW uitgevers

Spel als fundament

Ilja Leonard Pfeijffer sluit aan bij Johan Huizinga’s Homo Ludens, waarin het spel de oorsprong van cultuur vormt. Spel is volgens Huizinga geen vrijblijvende bezigheid, maar een ernstige aangelegenheid met eigen regels en een eigen orde. De auteur laat zien hoe deze spelkenmerken ook gelden voor creativiteit dat alleen kan ontstaan binnen een zorgvuldig afgebakende ruimte waar de dagelijkse beslommeringen buitengesloten zijn. In die tijdelijke wereld gelden andere wetten, die van de verbeelding.

Multitasken is jongleren met de wanorde van de werkelijkheid. En hoe beter je kunt jongleren, hoe verderaf je geraakt van de mogelijkheid dat je ooit nog een creatieve gedachte zult ontwikkelen
— Ilja Leonard Pfeiffer

De schepper als luisteraar

Creativiteit is voor de auteur geen daad van brute wilskracht, maar een vorm van empathie: luisteren naar personages, afstemmen op een zwak radiosignaal en zich overgeven aan wat zich aandient. De schrijver is tegelijk schepper en dienaar, iemand die de logica van het verhaal volgt en zich laat verrassen door wat hij zelf niet had kunnen bedenken. Verrassing en spelvreugde zijn geen bijkomstigheden, maar de kern van het scheppingsproces.

Daarmee komt Ilja Leonard Pfeijffer tot een paradoxale definitie: creativiteit vraagt tegelijk om orde en overgave, discipline en loslaten. De maker schept de speelruimte, maar moet bereid zijn zich in die ruimte te laten verrassen.

Kunst, wetenschap en waarheid

Vanuit deze persoonlijke ervaring slaat Ilja Leonard Pfeijffer een brug naar de wetenschap. Ook daar, zo betoogt hij, zijn doorbraken niet het resultaat van eindeloos rekenen of meten, maar van creatieve sprongen die een radicaal nieuw perspectief openen. De boekhouders van de feiten kunnen het bewijs achteraf leveren, maar de verbeelding maakt de revolutie mogelijk. Hier klinkt zijn provocatieve stelling: soms kan een schrijver, gedreven door empathie en verbeelding, dichter bij de waarheid komen dan een wetenschapper.

Maatschappelijke urgentie

De schrijver plaatst zijn lezing in een bredere context: een samenleving die is ingericht op efficiëntie, winst en productiviteit verstikt de ruimte waarin creativiteit kan bloeien. Universiteiten zijn daarvan volgens hem het schrijnende voorbeeld. Creativiteit verhoudt zich buitengewoon slecht met het systeem dat is ingericht op winst en efficiëntie. Zo wordt de luxe om te studeren omwille van het studeren zelf, om te spelen met ideeën, steeds verder ingeperkt.

Zijn conclusie is daarom prikkelend en urgent: als we het vastgelopen kapitalistische systeem willen overstijgen, moeten we de moed hebben een alternatieve samenleving te verbeelden. En dat kan alleen door creativiteit. Creativiteit is geen decoratie van ons bestaan, maar een levensvoorwaarde.

Conclusie

Pfeijffers Huizingalezing is een rijke, veelzijdige tekst die filosofie, persoonlijke reflectie en maatschappelijk engagement met elkaar verweeft. Soms provocerend, vaak paradoxaal, altijd meeslepend. Hij laat zien dat creativiteit niet alleen de kern van kunst en wetenschap is, maar ook de sleutel tot onze toekomst. En hij waarschuwt: zonder de ruimte voor spel en verbeelding verliezen we de mogelijkheid om de wereld opnieuw uit te vinden. Zijn Huizinga lezing is uitgegeven bij EW boeken.

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Maar je hebt toch veel vakantie? Steffie De Baerdemaeker - EduNext boekrecensie

Er zijn weinig beroepen waar zoveel misverstanden over bestaan als dat van leerkracht. “Maar je hebt toch veel vakantie?” is een van die hardnekkige clichés waarmee leraren en docenten al te vaak mee geconfronteerd worden. Steffie De Baerdemaeker heeft het in haar boek over een aantal misvattingen over onderwijs en biedt tegelijk een warme, praktische en inspirerende handleiding voor meer werkgeluk en minder werkdruk.

Boekcover en achterflap ‘Maar je hebt toch veel vakantie?’ - Steffie De Baerdemaeker

Onderwijs IS meer dan toetsen en punten

De auteur is het niet eens met het idee dat onderwijs louter draait om toetsen en meetbare prestaties. En dan vaak nog maar van een beperkt deel van het curriculum (taal, wiskunde, wetenschappen). Ze wijst erop dat bijna zestig procent van wat het leerresultaat bepaalt, niets met onderwijs te maken heeft. Onderwijs is volgens haar véél meer: het gaat ook om creativiteit, sociale vaardigheden, waarden, talentontwikkeling en leren samenleven.

Laat je niet meeslepen door ruis

Focus op wat jij en je team echt belangrijk vinden. Hoe beter je je eigen essentie als onderwijsprofessional kent, hoe makkelijker je weerstand biedt aan de eindeloze lijst bijzaken die energie slorpen. Hier introduceert ze praktische oefeningen: nadenken over je favoriete leraren (en wat die precies deden), je eigen onderwijs­overtuigingen onderzoeken en samen een pedagogisch project formuleren dat het kloppend hart van een school vormt.

Perfectionisme

Een valkuil waarin veel leraren (en niet alleen die beroepscategorie) in terechtkomen. Soms slijpen ze ’s avonds nog een extra uur aan een les. De vraag die de auteur terecht stelt: ‘wat is de extra impact van die extra op het leren van de leerlingen?’. Vaak merken leerlingen dat niet eens. Haar advies dan ook: goed is goed genoeg. Perfectie najagen leidt vaak tot frustratie en energieverlies.

Ze introduceert concrete technieken om de werkdruk beheersbaar te maken, zoals het onderscheid tussen kwaliteits- en tijdsgebaseerd werken. Voor kerntaken die tot de essentie behoren, ga je voor kwaliteit. Voor bijzaken plan je een vaste hoeveelheid tijd in en dan is het ook klaar. Ook de metafoor van “Marcel”, de denkbeeldige collega aan wie je binnenwaaiende taken tijdelijk delegeert, is interessant. Bij een latere check blijkt dat een groot deel vanzelf verdwenen of achterhaald is.

De schrijfster benadrukt bovendien het belang van energiegevers: buffertijd inplannen, prutstijd toelaten, bewust ademen en aandacht besteden aan je lichaam. Niet het privéleven tegenover het werk afwegen, maar een balans zoeken tussen activiteiten die  energie geven en activiteiten die energie vreten.

Klasmanagement

Leerlingen zijn vaak tegelijk de grootste bron van geluk en van stress. De auteur pleit voor gezag in plaats van macht: wederzijds vertrouwen, rust uitstralen en kleine, concrete rituelen inbouwen. Ze verwijst naar Haim Omers concept van Nieuwe Autoriteit, dat gebaseerd is op aanwezigheid, zelfbeheersing, steun en vastberadenheid. Maar ook je klasinrichting is daarin bepalend.

Hoeveel dozen, mappen en rommel staan er in jouw klasruimte overal op en onder kasten en tafels?
— Steffie De Baerdemaeker

Inclusief onderwijs

Voor Steffie De Baerdemaeker is inclusie geen woord maar een actie: het vergt bewuste inspanning om élk kind deel te laten uitmaken van de groep. Kleine gebaren, zoals divers lesmateriaal of een begroeting op maat, kunnen al wonderen doen. Inclusie kan je niet alleen waarmaken, benadrukt ze, maar wel samen met je team.

De kern is verbinding. Echte inclusie vraagt dat je kinderen leert kennen in hun eigenheid. In kind- of groeigesprekken stel je drie vragen:

  • Wie ben je?

  • Wat zijn je mogelijkheden?

  • Wat zijn je noden op dit moment?

Het is de kunst om de voornaamste nood te benoemen en samen een stap vooruit te zoeken. Belangrijk: een stap vooruit, niet dé oplossing. Inclusie is een proces, geen eindpunt.

Een ander sterk punt is haar pleidooi voor en-en-denken. Vaak worden oplossingen bedacht voor één specifieke leerling, terwijl dezelfde aanpak ook voor anderen nuttig kan zijn. Door telkens te vragen: “Hoe kan dit ook andere leerlingen helpen?”, versterk je de hele klaswerking. Inclusie wordt zo niet een extra taak, maar een manier om je lespraktijk robuuster te maken.

Onderwijs is een teamsport

Team Steffie De Baerdemaeker ;-)

Werkgeluk wordt in grote mate bepaald door de relaties met collega’s. Autonomie en vertrouwen zijn sleutelbegrippen: leerkrachten hebben vrijheid nodig om hun vakmanschap te laten renderen, maar die vrijheid gaat hand in hand met verantwoordelijkheid. Ze wijst op het belang van verbondenheid en waardering. Een cultuur van vertrouwen voelt lichter en productiever dan een cultuur van controle. En wederzijdse waardering hoeft niet altijd groot of formeel te zijn: drie eenvoudige vragen maken volgens haar al een wereld van verschil: Hoe is het? Waar ben je mee bezig? Wat kan ik voor je doen?

Teambuilding is er niet om een team te repareren, maar om een goed draaiend team te onderhouden.

De vier dimensies van werkgeluk

Een van de rode draden in het boek is de zoektocht naar werkgeluk. De auteur onderscheidt vier dimensies: werktevredenheid, werkplezier, actieve betrokkenheid en zinvolheid. Wanneer leerkrachten erin slagen die balans te vinden, ontstaat er een krachtige motor voor duurzame energie. Maar wie zich enkel betrokken en zinvol voelt, zonder plezier en tevredenheid, brandt langzaam maar zeker op. Het boek is daarmee ook een wake-up call: goed zorgen voor jezelf en je collega’s is geen luxe, maar een voorwaarde voor goed onderwijs.

Conclusie

Dit is een praktische, warme en laagdrempelige gids die aansluit bij de dagelijkse realiteit van leraren. Het is een boek dat erkent hoe zwaar en complex de job kan zijn, maar tegelijk hoop en richting biedt. De boodschap is dat je als leerkracht kunt omgaan met werkdruk: je kan keuzes maken, grenzen stellen, verbinding zoeken en je eigen werkgeluk vergroten. Steffie De Baerdemaeker schrijft niet vanuit de hoogte, maar als ervaringsdeskundige die naast je zit. Ze gebruikt humor, herkenbare anekdotes en levendige metaforen. Een mooi voorbeeld is de ‘hola’, de collega die in een vergadering - waar weer met actiepunten gestrooid wordt - even de rem opzet en vraagt “oké als we dit en dat allemaal gaan doen, wat gaan we dan níét meer doen?”. Het boek, uitgegeven bij Owl Press, is een aanrader voor elke leerkracht, schoolleider of beleidsmaker.

 

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs – Elke Emmers, Liesbeth Saenen & Katrien Hermans

Inclusief onderwijs is al jaren een heet hangijzer binnen het Vlaamse onderwijsdebat. Zelden zo beeldend, systematisch én gelaagd beschreven als in Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs. Elke Emmers, Liesbet Saenen en Katrien Hermans weten – op ondeugende wijze - met een combinatie van onderzoek, praktijkervaring en scherpe observaties een rijk beeld te schetsen van de uitdagingen, spanningen en kansen die inclusie met zich meebrengt. Centraal in het boek staat de leerondersteuner voor wie dit boek een doorleefde gids kan zijn vol concrete inzichten over samenwerking, professionele identiteit en het delicate evenwicht tussen idealisme en realiteit.

Een genuanceerde blik

Het is duidelijk dat de schrijvers streven naar nuance. Ze presenteren inclusief onderwijs als een proces van voortdurend afstemmen, communiceren en experimenteren. Ze benadrukken dat alle betrokkenen – leerkrachten, leerondersteuners, ouders en andere professionals – hun eigen expertise en noden inbrengen, zonder dat iemand op de stoel van de waarheid zit. Dit gelijkwaardigheidsprincipe vormt de rode draad doorheen het boek.

tijd te kort

Een belangrijk aandachtspunt dat al vroeg wordt aangehaald, is de structurele tijdsdruk. Zowel leerkrachten als leerondersteuners worstelen met volle agenda’s, uiteenlopende uurroosters en beperkte mogelijkheden tot overleg. Dit creëert praktische en ook relationele uitdagingen.

Context en uitdagingen

Ondanks wettelijke rechten op ondersteuning gaat meer dan 6% van de Vlaamse schoolgaande kinderen in het buitengewoon onderwijs, vaak omdat het reguliere onderwijs onvoldoende middelen of expertise kan bieden. Inclusie, zo stellen de auteurs, is meer dan enkel fysieke aanwezigheid: het vraagt om een transformatief proces waarin schoolcultuur, beleid en praktijk zich aanpassen om iedereen volwaardig te laten deelnemen.

Een belangrijk deel van de analyse gaat over de rol van de leerondersteuner. Deze moet niet alleen kennis hebben van specifieke onderwijsbehoeften, maar ook beschikken over communicatieve vaardigheden, flexibiliteit en een verbindende houding. Tegelijk kampen veel leerondersteuners met onduidelijkheid over hun takenpakket en met verwachtingen die niet altijd realistisch of haalbaar zijn.

Samenwerking voorbij de eilandjes

In plaats van naast elkaar werken, pleiten de auteurs voor echte interprofessionele samenwerking, waarbij disciplines hun grenzen overstijgen en een gemeenschappelijk doel centraal staat. Dit vraagt om gedeelde waarden, reflectie op de eigen professionele identiteit en het opbouwen van netwerkbewustzijn.

Ze erkennen dat teamreflectie, onderling vertrouwen en open communicatie vaak ontbreken en dat veel samenwerkingen in de praktijk gefragmenteerd blijven. Tegelijk bieden ze handvatten om die barrières te doorbreken zoals het expliciet maken van rollen, het verkennen van elkaars kernwaarden en het hanteren van duidelijke prioriteiten in samenwerkingsstrategieën.

De menselijke factor

De schrijvers hebben het over lubricatie van samenwerking: communicatie, coördinatie, evenwichtige bijdragen, cohesie, inzicht en de balans tussen professioneel en persoonlijk succes. Hier laten de auteurs zien hoe kwetsbaar inclusieve samenwerking is als één van deze factoren ontbreekt. Zo kan het ontbreken van informele contactmomenten – bijvoorbeeld in de leraarskamer of wandelgangen – de vertrouwensband ernstig verzwakken. Omgekeerd kan een langdurige en consequente samenwerking leiden tot duurzame partnerschappen.

De cruciale rol van ouders

Het boek schenkt uitgebreid aandacht aan de relatie met ouders. In veel inclusietrajecten worden ouders pas laat betrokken, wat hun positie als volwaardige partner ondermijnt. De auteurs pleiten ervoor ouders vanaf de gouden weken van de ondersteuning te betrekken, hun ervaringsdeskundigheid te erkennen en samen te werken vanuit wat het kind wél kan. Het boek benoemt hierbij ook de gevoeligheden rond labels en het gevaar dat een kind wordt gereduceerd tot zijn beperkingen.

Wat hier opvalt, is het pleidooi voor breed leren: inclusie gaat niet enkel over cognitieve doelen, maar ook over motorische, sociaal-emotionele, artistieke en morele ontwikkeling. Dit bredere perspectief maakt de samenwerking met ouders en andere partners des te relevanter.

Rollen en modellen

Een van de meest praktische hoofdstukken van het boek gaat in op de verschillende rollen die een leerondersteuner kan vervullen, met modellen zoals dat van Van De Putte & De Schauwer en het IIPRAD-model. Van scheidsrechter tot bruggenbouwer en van co-teacher tot reflectieve professional, de auteurs laten zien dat leerondersteuning geen monolithische functie is maar een veelzijdige en contextafhankelijke rol. Deze indeling geeft zowel beginnende als ervaren ondersteuners een kader om hun eigen werk te analyseren en om zich verder te ontwikkelen.

Zeven tinten grijs

Het titelhoofdstuk Zeven tinten grijs, is misschien wel het meest creatieve deel van het boek. Hier gebruiken de auteurs relationele ondeugende metaforen om samenwerkingsvormen te typeren: van de one-night stand (vluchtige ontmoetingen) tot het huwelijk (diepgaande, duurzame samenwerking). Tussenin bevinden zich de affaire, friends with benefits, de pornoset en de latrelatie. Deze metaforen maken op speelse wijze duidelijk dat de kwaliteit van samenwerking sterk varieert en dat niet elke samenwerkingsvorm geschikt is om duurzame inclusie te realiseren.

Reflectie en veranderkracht

In het slotdeel verschuift de focus naar reflectie en de veranderkracht van leerondersteuners. Kritische reflectie wordt voorgesteld als essentieel, niet alleen op het niveau van wat en hoe, maar vooral op het waarom van het handelen. Hier positioneren de auteurs de leerondersteuner als een change agent, iemand die niet alleen bijdraagt aan het huidige inclusieve proces, maar ook actief werkt aan een meer rechtvaardige, inclusieve toekomst.

De schrijvers sluiten af met een realistische boodschap: duurzame samenwerking vraagt meer dan intenties of afspraken op papier. Het vergt voortdurende inzet, onderlinge waardering en de bereidheid om samen te groeien, ook als dat soms via onbekende of oncomfortabele wegen gaat.

Auteurs - Liesbet Saenen - Elke Emmers - Katrien Hermans

Conclusie

Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs is een rijk boek dat theorie, praktijk en persoonlijke reflectie op een natuurlijke manier met elkaar verweeft. Het boek is bijzonder toegankelijk geschreven, de creatieve metaforen, het oog voor relationele dynamiek en de concrete handvatten maken het tot een waardevolle bron voor leerondersteuners, leerkrachten, directies én ouders.

Wat het boek extra sterk maakt, is dat het niet vervalt in zwart-witdenken. De titel is dan ook treffend: de werkelijkheid van inclusief onderwijs bevindt zich meestal in de grijze zone, waar tegenstrijdige belangen, beperkte middelen en menselijke emoties elkaar kruisen. Juist in dat spanningsveld weet het boek richting te geven, zonder te doen alsof er een pasklare oplossing bestaat.

Dit boek is een aanrader voor iedereen die professioneel of persoonlijk betrokken is bij inclusief onderwijs. Het biedt kennis, inspiratie en erkenning voor de dagelijkse realiteit van werken in dit veld. Het laat zien dat inclusie geen eindpunt is, maar een voortdurende reis. Een proces van luisteren, verbinden, reflecteren en bijsturen.

Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs geeft je de taal, de inzichten en de motivatie om het pad van inclusie met meer bewustzijn en veerkracht te bewandelen. Het boek is uitgegeven bij Academic Scientific Publishers (nu Owl Press).

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Wat mentoren in het onderwijs kunnen leren van topsportmentoren: boekrecensie Mentor Moves - Ann Wouters, Matthias Haspeslagh en Sabine Appelmans

Van sportveld tot klaslokaal: mentorschap als katalysator voor groei

In Mentor Moves bundelen gewezen topsporters Ann Wouters (Belgian Cats), Sabine Appelmans (toptennisster) en Mathias Haspeslag (mental- en performance coach) hun ervaring en kennis over topsportmentorschap. Wat begint als een reflectie over de rol van de mentor in een sportieve context, groeit uit tot een genuanceerde beschrijving van het menselijk groeiproces. Hoewel het boek niet over onderwijs gaat, vinden mentoren in het onderwijs hierin een waaier aan inzichten en reflecties die met wat creativiteit vertaald kunnen worden naar de eigen praktijk. Want onderwijs is toch ook topsport, niet?

Relaties boven prestaties

Terwijl een (topsport)coach vaak de focus heeft op resultaten, bewaken (topsport)mentoren niet alleen de ontwikkeling van technische vaardigheden, maar ook het evenwicht tussen mens en atleet. Net zoals ook onderwijsmentoren zich niet alleen richten op leer- en studievoortgang, maar ook op het mentale welzijn, de identiteit en het groeipotentieel van hun mentees (leraren of leerlingen). Dat vraagt om een fundamentele verschuiving van output naar ontwikkeling. De leraar als mentor die niet primair evalueert maar begeleidt. Die luistert zonder te sturen, ondersteunt zonder over te nemen.

Het helpt als je iemand hebt die je onvoorwaardelijk steunt, die tijd voor je maakt om echt te luisteren.
— Ann Wouters - Mathias Haspeslagh - Sabine Appelmans

Mentorschap als proces van wederzijdse groei

Het boek vertrekt vanuit de opvatting dat mentorschap draait om verbinding, ondersteuning en het zichtbaar maken van iemands potentieel. De schrijvers positioneren de mentor als iemand die geen antwoorden oplegt en ruimte creëert voor bewustwording, groei en eigenaarschap. Die rol vraagt om meer dan kennisoverdracht: het vergt ook durf, empathie en het vermogen om met spanningen en onzekerheden om te gaan.

Voor mentoren in het onderwijs biedt dit een interessante spiegel. Ook zij begeleiden jongeren of collega’s in een ontwikkelproces dat niet altijd lineair verloopt. De auteurs maken duidelijk dat een mentor geen tovenaar is, maar eerder een aanwezige gids die vanuit ervaring en betrokkenheid mee optrekt.

Van ervaring naar rolbewustzijn

Volgens de auteurs kan een topsportmentor vijf mogelijke rollen aannemen:

1.        Ervaren Praktijkgids: als een mentor zijn persoonlijke ervaringen deelt (zowel de succesvolle als de uitdagende momenten) kan dat de mentee inzicht geven In de praktische aspecten van het vakgebied of de branche.

2.        Inspirerende dirigent: door een heldere en motiverende kijk op de toekomst te presenteren, stimuleert de mentor de mentee om grotere doelen na te streven, te dromen en een beter begrip te ontwikkelen van de eigen mogelijkheden.

3.        Ondersteunde coach: door actief te luisteren en de antwoorden of ideeën van de mentee te absorberen en te verwerken, creëert de mentor ruimte voor een open communicatie en een empathisch luisterend oor.

4.        Koersvaste kapitein: door als navigator een duidelijke richting en begeleiding te bieden, identificeert de mentor samen met de mentee haalbare en stimulerende doelstellingen voor de professionele ontwikkeling.

5.        Rechtvaardige rechter: deze rol gaat over het aanbieden van structuur, begeleiding en uitdagingen.

De nadruk ligt steeds op de afstemming met de mentee en het bewust schakelen tussen nabijheid en begrenzing, richting en ruimte.

De eigenschappen van een kampioen liggen in een meester worden in het overwinnen van moeilijke momenten -
— Roger Federer

GROEIEN VANUIT spanning tussen polariteiten

Een tweede krachtig kader dat het boek biedt, is dat van de spanningsvelden. De auteurs benoemen zeven dualiteiten waarmee topsporters tijdens hun loopbaan geconfronteerd worden:

-            moed versus angst

-            korte termijn versus lange termijn

-            doelen stellen versus bijsturen

-            gevoel versus data

-            sterktes ontwikkelen versus zwaktes bijwerken

-            ritme versus timing

-            vrijheid versus verbondenheid

Ze stellen deze spanningsvelden niet voor als dilemma’s die opgelost moeten worden, maar eerder als dynamieken waarin de mentor bewust kan begeleiden. Het idee van generatieve complementariteit — het samengaan van beide polen in plaats van het kiezen tussen — vormt hierin de rode draad. Dit inzicht is bruikbaar in elke context waar groei en ontwikkeling centraal staan en biedt houvast voor mentoren die hun mentees willen helpen navigeren in complexe leer- of loopbaantrajecten.

Mentorschap als reis

Het beeld van mentorschap als een reis is een mooie metafoor. Er is sprake van vertrek, navigatie, heroriëntatie en aankomst. Deze beeldspraak sluit aan bij de realiteit: leertrajecten verlopen zelden volgens plan en het is net in de onvoorspelbaarheid dat de waarde van begeleiding zichtbaar wordt.

Voor wie werkzaam is in het onderwijs, kan deze metafoor helpen om het mentorproces minder als controle- of sturingsproces te zien en meer als een gedeeld traject. De nadruk ligt op tijdelijkheid: de mentor is geen blijvende kapitein maar een tijdelijke reisgezel die richting geeft, uitdaagt en uiteindelijk loslaat.

Systemisch bewustzijn: plek, orde en balans

We vinden het heel fijn om in het boek - naast de persoonlijke relatie tussen mentor en mentee - de auteurs ook aandacht te zien besteden aan de bredere contexten waarin mensen functioneren. Ze introduceren hierbij drie systemische principes die je ook terugvindt in de literatuur over systeemdenken. Iedereen heeft of gaat op zoek naar zijn plek in een systeem (familie, entourage, sportclub). Ieder individu heeft immers de behoefte ergens bij te horen. Daarnaast is er ook een bepaalde rangorde of hiërarchie in elk systeem. Tot slot speelt de balans tussen geven en ontvangen. Als (topsport)mentor kun je bewaken of de mentee deze systemische wetmatigheden in acht neemt. Zo niet ontstaan er immers tegenwerkende krachten wat resulteert in een verlies aan energie.

Mathias Haspeslagh - Ann Wouters - Sabine Appelmans (Linkedin pagina Ann Wouters)

Zeven stappen naar verankering

In  het derde deel van het boek formuleren de auteurs zeven concrete stappen die een mentor-menteeproces kunnen verdiepen: intentie, actie, reflectie, verlangen, vertrouwen, volharding en dromen waarmaken. Deze stappen zijn niet bedoeld als lineair model, maar eerder als bouwstenen van een proces waarin bewustwording, motivatie en veerkracht centraal staan.

De toon is uitnodigend: elke stap is verbonden met voorbeelden, reflectievragen en praktische tips. Deze kunnen als inspiratiebron dienen voor gesprekken met mentees of als reflectiekader voor mentoren zelf.

Before you win, you have to learn how to lose
— Usain Bolt

Conclusie

De stijl van Mentor Moves is open, verhalend en toegankelijk. De auteurs gebruiken metaforen, persoonlijke anekdotes en citaten uit de topsport om hun betoog te ondersteunen. Die literaire benadering maakt het boek prettig leesbaar, ook voor lezers zonder sportachtergrond. Tegelijkertijd biedt het boek diepgang en is het onderbouwd met concepten uit psychologie, coaching en systeemdenken. Het boek nodigt uit tot zelfonderzoek. Mentor Moves is een mooi werkstuk dat voor mentoren in het onderwijs - waar relationele begeleiding steeds belangrijker wordt - een waaier aan inzichten en kapstokken laat opengaan. Maar ook voor mentoren uit andere sectoren is dit zeer bruikbaar. Het boek is uitgegeven bij LannooCampus. Tip voor de volgende druk: zwarte letters voor de broodtekst (de paarse letters maken het boek minder leesbaar). 

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Boekrecensie: Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen -  Beno Schraepen

In zijn confronterend boek Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen legt Beno Schraepen, orthopedagoog, ervaringsdeskundige in het buitengewoon onderwijs en docent/onderzoeker aan de AP Hogeschool, het mechanisme van sociale uitsluiting en segregatie in onze samenleving bloot. Hij legt de vinger op de wonde van onze maatschappelijke structuren en toont de urgentie en noodzaak van een inclusieve samenleving waarin alle burgers - ongeacht hun beperkingen - volwaardig kunnen deelnemen. Het resultaat is een werkstuk dat uitnodigt tot reflectie en actie.

Cover van het boek en de achterflap - Owl Press

Thema’s en kernboodschap

De auteur opent met de stelling dat uitsluiting in ons DNA zit. Dit is een ongemakkelijke waarheid, zeker als hij je uitnodigt om zelf een antwoord te geven op enkele prikkelende vragen:

-            Hoe vaak ga je op stap met iemand in een rolstoel?

-            Hoe natuurlijk gedraag jij je tegenover mensen met een beperking?

-            Heb jij mensen met een beperking in je vriendenkring (als ze geen familie zijn)?

Deze alledaagse situaties ontmaskeren een samenleving waarin mensen met een beperking steevast achteraan in de rij staan of zelfs onzichtbaar blijven. De kern van zijn betoog is dat uitsluiting niet zomaar een sociaal ongemak is maar een fundamentele breuk in de relaties tussen mensen en de samenleving.

Volgens de auteur is segregatie een vorm van discriminatie. Hij stelt dat speciale voorzieningen zoals aparte scholen en instellingen - vaak goedbedoeld - juist bijdragen aan een structurele uitsluiting. Mensen met een beperking worden niet als volwaardige burgers gezien, maar als ‘anderen’ waarvoor aparte omgevingen noodzakelijk zijn. Dit schept fysieke, psychologische en symbolische muren.

Kritiek op segregatie in onderwijs en zorg

Onderwijs is in Vlaanderen de motor van segregatie. Met meer dan 4% van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs – een cijfer dat ver boven het Europese gemiddelde ligt – hebben we een van de meest gesegregeerde onderwijssystemen. Beno Schraepen legt uit hoe dit systeem systematisch kansen ontneemt en kinderen stigmatiseert.

Hij wijst erop dat deze segregatie niet alleen de kinderen zelf treft, maar ook de bredere maatschappij. Omgekeerd biedt inclusief onderwijs voordelen voor kinderen met een beperking én voor hun klasgenoten zonder beperking. Het creëert een cultuur van wederzijds begrip en respect die de basis vormt voor een inclusieve samenleving. Toch blijft het Vlaamse beleid volgens hem hangen in excuses en “ja maar”-redeneringen:

-            ja, maar we hebben de draagkracht niet

-            Ja, maar het is beter voor hen in het buitengewoon

-            Ja, maar we hebben er geen middelen voor.

De schrijver ontkracht deze excuses systematisch en roept op tot politieke moed en gedragsverandering.

Het VN-Verdrag en het recht op inclusie

Het recht op inclusie is een fundamenteel mensenrecht, verankerd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De auteur legt helder uit hoe het verdrag uitgaat van een dynamische visie op handicap: niet de beperking zelf, maar de belemmeringen in de omgeving maken dat iemand gehandicapt is. Redelijke aanpassingen – zowel materieel (zoals een traplift of brailleleesregel) als immaterieel (zoals aangepaste lestijden of alternatieve evaluatievormen) zijn cruciaal om deze barrières weg te nemen. Deze redelijke aanpassingen worden nog te vaak onvoldoende of helemaal niet doorgevoerd, waardoor het VN-Verdrag in de praktijk dode letter blijft, zeker in Vlaanderen. De politiek hanteert nog steeds een dubbelzinnig discours: inclusie waar het kan, apart als het moet. Maar het mag niet de meerderheid zijn die beslist of en wanneer inclusie moet. Het is de minderheidsgroep, de mensen met een beperking zelf, die mee moeten kunnen bepalen wat nodig is voor hun deelname aan de samenleving.

Met ongeveer 15% van de wereldbevolking zijn personen met een handicap de grootste minderheidsgroep.
— Beno Schraepen


De kracht van taal en beeldvorming

Een ander krachtig aspect van het boek is hoe we spreken over mensen met een beperking: de gehandicapte versus een persoon met een handicap. Het is een wereld van verschil. Door mensen niet te reduceren tot hun beperking, tonen we respect voor hun volledige identiteit. We hebben taal nodig die de mens centraal stelt en uitgaat van verschillen als iets fundamenteel menselijks, in plaats van als afwijking van de norm. Labels en diagnoses hebben daarbij een dubbelzinnig effect: ze openen deuren naar noodzakelijke ondersteuning en dragen tegelijk bij aan stereotypering en stigmatisering. Dit labelingsmechanisme grijpt diep in op de identiteitsontwikkeling van mensen met een beperking.

Van integratie naar inclusie

Waar integratie uitgaat van de noodzaak om aan te passen aan de bestaande normen van de samenleving, staat inclusie voor een intrinsieke rijkdom aan diversiteit. Inclusie vraagt tevens om een fundamentele hertekening van onze structuren en relaties, en dat vereist verandering op alle niveaus: van het onderwijs en de arbeidsmarkt tot de sociale omgangsvormen in alledaagse situaties.

De auteur wijst erop dat integratiebeleid momenteel vaak neerkomt op vrijblijvende tolerantie. Zolang mensen met een beperking zich aanpassen aan de regels van de meerderheid, mogen ze erbij horen. Maar als het niet lukt, is het zogenaamd hun eigen verantwoordelijkheid. Inclusie daarentegen vraagt om een diepgaande transformatie waarin urgentie, visie, consensus, middelen en vaardigheden onmisbaar zijn.

Praktijkvoorbeelden en toekomstperspectief

Een van de sterke kanten van Excluses is dat de auteur zijn betoog illustreert met talrijke voorbeelden uit de praktijk – van scholen die wel succesvol inclusief werken tot internationale onderzoeken die aantonen dat inclusief onderwijs niet alleen mogelijk is, maar ook beter werkt. Zo blijkt uit een Amerikaanse studie onder 11.000 leerlingen dat kinderen met beperkingen in een inclusief onderwijssysteem later in het leven betere kansen hebben op werk en zelfstandigheid. En dat dit geen negatieve effecten heeft op andere leerlingen, integendeel. Daarnaast komt William Boeva, stand-up comedian met een beperking, in het boek regelmatig aan het woord en vertelt hij wat exclusie met hem als persoon gedaan heeft.

Auteur Beno Schraepen - foto: Kristof Ghyselinck

Kritische noot en hoopvolle toon

Wat dit boek bijzonder maakt, is dat het ondanks de scherpe kritiek op het huidige beleid een hoopvolle toon behoudt. De auteur gelooft in de kracht van verbeelding en in de mogelijkheid tot verandering. Hij benadrukt dat verandering niet altijd begint bij wetten of structuren, maar bij de bereidheid van mensen om anders te kijken en te handelen. Daarbij is het essentieel dat we het anders-zijn van de ander niet zien als een tekort, maar als een gelijkwaardig verschil dat ons allemaal rijker maakt. Er is echter nog veel werk, zowel aan de systemen als aan de mensen zelf. Ouders, leerkrachten en hulpverleners voelen zich nog vaak handelingsverlegen of overbelast. Nu ligt juist daarin de kiem van verandering. In het doorbreken van angst en het erkennen van diversiteit als een bron van mogelijkheden. Het vergt creativiteit maar waar een wil is, is vaak ook een weg.

Conclusie

Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen houdt ons een spiegel voor en zet aan tot zelfreflectie. Het boek verdient een breed lezerspubliek: van beleidsmakers en leraren tot hulpverleners, ouders en eigenlijk iedereen die gelooft dat een samenleving pas echt menselijk is als we iedereen insluiten. Het boek is een inspirerend manifest voor een samenleving waarin we verschillen koesteren. Een aanrader voor iedereen die gelooft in de kracht van inclusie en voor hen die zich daar vragen bij stellen. Het boek is uitgegeven bij Owl press.

EduNext en inclusie

De titel van het boek had ook Incluses, wat insluiting doet met mensen kunnen heten. Zoals uit eerdere blogs bleek, verdiept EduNext zich regelmatig in dit thema. Het EduNext transformatierad is een uitdagend denkmodel om na te denken over inclusie, om concrete acties te formuleren voor elk van de elementen en om er één coherent geheel van te maken. We gebruikten het al verschillende keren tijdens workshops met leersteuncentra. Leerondersteuners worden - zoals ook in het boek vermeld - bijna elke dag geconfrontreerd met de vraag: ‘hoe krijgen we leraren en directies mee?’. Scholen kunnen het ook zelf gebruiken om stappen te zetten naar inclusie en om leerlingen met en zonder beperking stap per stap meer eigenaarschap over hun leerproces te geven en hen daarbij zelf keuzes te laten maken. Meer info of een vrijblijvend intakegesprek? => contact@edunext.be

Meer lezen
Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe Boek- & Kennisreflecties Dirk De Boe

Boekrecensie - Het ABC van motivatie - Maarten Van Steenkiste en Bart Soenens

Dit lijvig boek legt de fundamenten van motivatie in het onderwijs helder en praktisch uit en gaat nog een stuk verder. Het biedt handvatten voor leraren, opvoeders, ouders en beleidsmakers om te streven naar betere leerprestaties via een ondersteundende leerervaring waarin leerlingen centraal staan, op motiverende wijze gesteund en begeleid door hun leraren. Auteurs Maarten Van Steenkiste en Bart Soenens, beiden hoogleraren aan de UGent, combineren in dit werk hun wetenschappelijke expertise met een warme en menselijke blik op onderwijs en opvoeding.

De essentie van het ABC

Het uitgangspunt van het boek is de zelfdeterminatietheorie van Edward Deci en Richard Ryan waarin autonomie (psychologische vrijheid en authenticiteit), verbondenheid (warme relaties) en competentie (iets kunnen, groeien, doelen bereiken) de drie psychologische basisbehoeften zijn van elke mens. Deze drie basisbehoeften vormen de motor achter motivatie, betrokkenheid en welbevinden van leerlingen.

Wat het boek sterk maakt, is dat het deze drie basisbehoeften niet als losstaande puzzelstukjes behandelt, maar als een geïntegreerd geheel dat de kern raakt van wat onderwijs zou moeten zijn: een plek waar leerlingen zichzelf kunnen zijn, zich verbonden voelen en succeservaringen opdoen.

Van theorie naar praktijk

Het boek blinkt uit in toegankelijkheid en vertaalt wetenschappelijke inzichten in een concrete praktijk. Het is rijk aan voorbeelden, herkenbare situaties en praktische handvatten. De auteurs gaan daarbij systematisch te werk: eerst leggen ze de fundamenten van het ABC uit, daarna tonen ze hoe je als leraar of opvoeder deze behoeften kunt ondersteunen, frustreren of negeren, en tot slot reiken ze een kompas aan om hier bewust mee om te gaan.

ABC-bevrediging en ABC-frustratie

ABC-bevrediging ontstaat als leerlingen de ruimte krijgen om keuzes te maken, zich verbonden weten met medeleerlingen en leraren en vertrouwen hebben in hun eigen kunnen. Dat zorgt motivatie en sterkere leerprestaties. Bij ABC-frustratie daarentegen worden leerlingen beknot in hun autonomie, voelen ze zich alleen en twijfelen ze over zichzelf en hun competentie. Frustratie van basisbehoeften is niet neutraal en kan negatieve effecten hebben op het welbevinden en zelfs op de geestelijke gezondheid van leerlingen. ABC-frustratie is een voorspeller voor gedragsproblematieken, demotivatie, schoolverzuim en lage leerprestaties.

Een genuanceerde kijk op autonomie

Vaak wordt autonomie verward met volledige zelfstandigheid, maar volgens de auteurs gaat autonomie vooral over psychologische vrijheid en vrijwilligheid, ook als de leraar duidelijke kaders biedt of begeleidt. Dit onderscheid tussen zelfstandig functioneren en vrijwillig functioneren geeft leraren de ruimte om zowel structuur te bieden als autonomie te ondersteunen. Dat betekent tijdelijk helpen om daarna geleidelijk los te laten zodat leerlingen het alleen kunnen of klaar zijn voor een hoger niveau (scaffolding).

Autonomie-ondersteunende directe instructie

Misschien wel een van de belangrijkste woorden in het boek: autonomie-ondersteunend. Het woord komt in het werkstuk terecht veel voor. Het is voor de schrijvers cruciaal om bij directe instructie structurerend en autonomie-ondersteunend te werk te gaan. Als je daarbij te veel je expertise wil demonstreren of je geeft les op een verplichtende manier, dan riskeer je dat leerlingen hun motivatie verliezen. In de praktijk kan een te sterke drang om expertise te delen via directe instructie ook een competentie- en autonomie-ondermijnend effect uitoefenen op leerlingen.

Het leraRENkompas als richtingaanwijzer

Een van de sterke troeven van het boek is het lerarenkompas dat de auteurs hebben ontwikkelend. Het is een instrument dat leraren kan helpen om bewust te kiezen voor een bepaalde stijl of houding in de klas. Ze beschrijven daarin volgende motiverende lerarenstijlen:

  • Participatieve stijl: je voorziet waar mogelijk in keuzes en laat je leerlingen mee bepalen. Zo maak je leerlingen medeverantwoordelijk voor hun leerproces en verhoog je hun betrokkenheid.

  • Afstemmende stijl: hierbij probeer je aansluiting te vinden bij het perspectief van leerlingen door uitnodigende taal te hanteren en mee te veren met hun weerstand.

  • Begeleidende stijl: je bouwt de les stapsgewijs op en begeleid je leerlingen optimaal in hun leerproces, zodat ze zich bekwaam voelen om de opgedragen leertaken goed aan te pakken.

  • Verhelderende stijl: je communiceert duidelijke verwachtingen naar leerlingen, je geeft kwaliteitsvolle instructie en je bent transparant over leerdoelen en beoordelingscriteria.

Het lerarenkompas bevat ook demotiverende lerarenstijlen:

  • Afwachtende stijl: je laat de zaken op hun beloop

  • Opgevende stijl: je hebt de neiging om ruziënde of klagende leerlingen te negeren

  • dominerende stijl: je laat als leraar je macht gelden om je leerlingen tot de orde te roepen. Je zet hen op hun plaats door hen te kleineren of te vernederen

  • Eisende stijl: je staat er - via forse en bevelende taal - op dat leerlingen discipline, medewerking en doorzettingsvermogen tonen.

De auteurs erkennen dat een leraar – afhankelijk van de leeftijd, het beginniveau en de context van de leerling - moet schakelen tussen stijlen. Toch leggen ze duidelijk uit waarom autonomie-ondersteunende (participatief, afstemmend) en structuur-ondersteunende stijlen (verhelderend, begeleidend) wenselijk zijn omdat ze het ABC voeden en leerlingen helpen om met goesting te leren. En dat chaotische stijlen (afwachtend en opgevend) en controlerende stijlen (dominerend en eisend) nefast zijn voor de motivatie van leerlingen.

De overgang van ‘moetivatie’ naar ‘goesting’

De auteurs houden een pleidooi voor kwaliteitsvolle motivatie. Ze onderscheiden intrinsieke en extrinsieke motivatie en vooral het verschil tussen gecontroleerde en autonome motivatie. Ook extrinsieke motivatie kan waardevol zijn, zolang leerlingen maar het gevoel hebben dat ze zelf willen en mogen. Het gaat om de binnenkant van de motivatie: doe je iets omdat je moet, of omdat je er zelf achter staat? De overgang van moetivatie naar goesting is het moment waarop leerlingen niet alleen begrijpen wat ze leren, maar ook waarom het belangrijk is – of dat nu gaat om burgerschap, duurzaamheid of hun persoonlijke dromen.

ABC-groeigesprekken

Bart Soenens en Maarten Van Steenkiste breken een lans voor ABC-groeigesprekken. Dit zijn open gesprekken waarin de leraar samen met de leerling reflecteert op hoe het met hun autonomie, verbondenheid en competentie gesteld is. Zo een gesprek hoeft niet therapeutisch te zijn, het kan een krachtig middel zijn om leerlingen te helpen meer zicht te krijgen op zichzelf, hun ambities en de dingen die hen energie geven. Onderwijs gaat niet alleen over sterke resultaten, het gaat ook over het vormen van mensen.

Bart Soenens (links) – Maarten Van Steenkiste (midden) en uitgever Charles Derre (rechts) tijdens de boekvoorstelling – foto via Linkedin.

Conclusie

Een van de grote sterktes van Het ABC van motivatie is de manier waarop theorie en praktijk hand in hand gaan. De auteurs putten uit tientallen jaren onderzoek, maar blijven altijd dicht bij de leefwereld van de leraar en de leerling. Het boek biedt concrete voorbeelden, handvatten en gespreksmodellen die je meteen kan toepassen in de klas. Een aandachtspunt is dat de rijkdom aan concepten en voorbeelden soms wat overweldigend is. Daardoor kan het boek – ook omdat het 432 pagina’s telt – leraren tegenhouden om het te lezen. Wat jammer zou zijn. Je kunt het boek ook zien als een naslagwerk waar je als onderwijsprofessional steeds opnieuw kan naar terugkeren.

Anders kijken naar onderwijs

De auteurs dagen leraren uit om verder te kijken dan punten en prestaties, en te investeren in wat leerlingen werkelijk nodig hebben om te groeien: autonomie, verbondenheid en competentie. En hetzelfde geldt – ook al is dat geen thema van het boek – ook voor leraren, directies en andere onderwijsprofessionals. De schrijfstijl van het boek is helder, vriendelijk en uitnodigend. Hoewel het boek stevig is onderbouwd met wetenschappelijke inzichten, voelt het nooit zwaar of ontoegankelijk aan. Integendeel: het is een pleidooi voor mensgericht onderwijs, geschreven door auteurs die zichtbaar passie hebben voor hun vak en voor hun studenten. Het boek is uitgegeven bij LannooCampus.

 

Meer lezen