Alleen de verbeelding kan ons redden - Michael De Cock
In een wereld die gedomineerd wordt door cijfers en efficiëntie, herinnert Michael De Cock ons aan de reddende kracht van de verbeelding. Verhalen en kunst zijn geen luxe, maar de enige manier om de complexiteit van het menszijn te vatten en jongeren een kompas te geven in een onzekere wereld. Wanneer we de verbeelding uit de school bannen, verliezen we de mogelijkheid om een andere werkelijkheid te dromen. Een vurig pleidooi voor de terugkeer van de verwondering in de klas.
Michael De Cock schakelt in dit meeslepend boek continu tussen verbeelding en realiteit en geeft daarbij onverbloemd zijn mening over kunst en cultuur. De kunst alleen kan ons volgens de auteur niet redden. Maar het is op zijn minst wel wat ons verbindt, en wat overblijft. Het is wat we kwetsbaar in het midden leggen. Het is een ritueel dat de angst en de dood bezweert. Het is de gemeenschappelijke grond waarop we elkaar vinden, het bord waarop we schaken, de liefde die we delen.
Bij kunst staat de verbeelding voorop. Mensen kunnen zich immers alles voorstellen. Zelfs het onvoorstelbare. Dat kan leiden tot fantastische verhalen maar ook tot een golf van onredelijke angst. In vele gevallen is de verbeelding een lust, in combinatie met angst is ze zelfs een vreselijke last. De verbeelding kan immers duizelingwekkend zijn. De auteur vraagt zich af wat iemand uit de 16e eeuw zou denken van Tomorrowland als je hem met een teletijdmachine naar hier zou kunnen halen en laten meevieren? Zou hij onder de indruk zijn? Zou hij meedansen? Zou hij denken dat hij in een nachtmerrie terecht was gekomen, of zou zijn brein uit elkaar spatten door het teveel aan indrukken en prikkels? En hoe zouden wij kijken naar de wereld zoals die er in 2422 uitziet?
De kunst van de begrenzing
Volgens de auteur ontstaat kunst, echt goede kunst, altijd binnen de krijtlijnen van de beperking. Daarom is absolute vrijheid noch haalbaar, noch wenselijk. Het leven is chaos, kunst brengt orde. Hij verwijst daarvoor naar Madame de Bovary waarin Gustave Flaubert er op meesterlijke wijze in slaagt om van de puriteinse restricties die de burgerlijke moraal hem oplegde een meerwaarde te maken. Zo laat hij Emma Bovary met haar geliefde Léon in een koets door Rouen rijden. Ze bedrijven er stomend de liefde, althans dat suggereert de tekst. Weinig scènes zijn erotischer dan deze, toch wordt er met geen woord over seks gerept. Alles speelt zich in het verborgene af, achter de gesloten gordijnen van de koets – en dus in het hoofd van de lezers.
Op de barricaden voor cultuur
De auteur kan nauwelijks andere dingen bedenken waar hij zo voor wil vechten of zelfs verhuizen als voor vrijheid en het recht om te leven in een maatschappij waarin kunst en verbeelding genoeg ruimte krijgen. De dictatuur en het negationisme zijn de cultus van de dood. Kunst viert het leven en de hoop. Kunst vormt de poort naar ons hart en het empathisch vermogen. Als er iets is dat het menselijke vernuft heeft uitgevonden - door de eeuwen en eeuwen heen - om de pijn, de vreugde, het gemis, noem maar op, deelbaar en overdraagbaar te maken, dan zijn het verhalen en alle afgeleiden. En verwondering is niet zelden de juiste start van de kunstpraktijk.
“Cultuur is niet de kers op de taart, maar het fundament waarop je een menswaardige maatschappij bouwt.”
Volgens de auteur moeten we een tegenstroom organiseren. Een tegenstroom waarvan de cultuurwereld, het middenveld en burgers deel kunnen uitmaken en waarbij ze een nieuwe gemeenschap vormen. De schrijver citeert daarbij Morrison: “If you have some power, then your job is to empower somebody else”.
Ode aan het theater
In het theater is er tijd voor verbeelding. De tijd gaat er trager. De tijd stolt er als stroop en glijdt traag door je vingers. In theater kun je een leven vertellen in twee uur, en een seconde eindeloos laten duren. Het is maar hoe we het zelf willen. Michael De Cock vindt theater vooral interessant vanwege al die ontmoetingen met mensen die in andere toonaarden dan die van hem gestemd zijn. Daarom houdt hij ook van huizen met een lange en rijke geschiedenis. Geschiedenis die groter is dan wie er ook tijdelijk aan het hoofd van staat.
Niets is volgens de schrijver zo in staat om gemeenschap te vormen als theater. Goed theater is een plek waar artiesten uit formele en informele netwerken aan de slag zijn en elkaars werk volgen, elkaar aanmoedigen, en falen een optie is. Een theater waarvan de artiesten de tijd krijgen en nemen om te zoeken, te bezinnen en zich te vervolmaken. In ruil daarvoor coachen ze elkaar, gaan ze in dialoog met het publiek en staan ze voor de klas nu en dan om jonge mensen op sleeptouw te nemen en hun duidelijk te maken dat theater ook iets voor hen kan zijn, wat hun talent ook is. Als er maar passie is. Een plek waar verbeelding leeft en waar die verbeelding poorten in de geest opent. Waar de stad het canvas is en haar straten, de huizen, de bomen, de letters, de komma’s, de punten en de tekst vormen. Waar iedereen die wil, kan meeschrijven aan een verhaal, waar hij of zij zich kan in herkennen. Waar kinderen vanaf de lager school de weg ernaartoe vinden. Waar je kunt dansen en denken. Verwonderen, bewonderen en gemeenschap vormen. Een stad in een stad. Een theater als kruispunt, als ader, als kloppend hart en als plek van betekenis in het leven van ieder die dat wil.
De auteur raadt iedereen aan om met kinderen naar voorstellingen te gaan. Het is een wonder wat je dan bijleert, wanneer je tegelijk en vanuit verschillende perspectieven naar hetzelfde verhaal kijkt. Of zelf toneel spelen. Er is weinig leuker dan virtuoos en gelegitimeerd doen alsof je iemand anders bent. Het bevrijdt een mens van een hoop zorgen en houdt hem jong.
Ethiek
Michael De Cock maakte de vorige generatie theatermakers en kunstenaars nog mee toen grensoverschrijdend gedrag en directief leiderschap vaak voorkwam. Tegenwoordig kun je niets goed meer maken dat niet beantwoordt aan de juiste ethische normen en waarden. Dat is voor velen nog altijd wennen. Auteurschap wordt bevraagd, net als de geprivilegieerde positie van de kunstenaar. Dat geeft geregeld problemen in het herijken van onze culturele geschiedenis. Mogen we nog van Céline, Picasso of Lolita houden? En om welke redenen dan wel of niet? Maar één ding is ondertussen wel zeker: het romantische beeld van de artiest, die roept en tiert, brult en briest, die een hufter en een onmens is, die mensen laat wachten omdat hij toevallig net (g)een ingeving heeft – het is allemaal voorbij. Zonder de juiste sociale en empathische vaardigheden kun je vandaag geen goed regisseur meer zijn, vindt de schrijver.
Heb lak aan wat mensen van je vinden!
De auteur mijdt gelijkgestemden, en mocht hij ze al tegen het lijf lopen, dan loopt hij een blok om. Als hij een gelijkgestemde wil tegen komen, dan kijkt hij wel in de spiegel en zelfs dat probeert hij te vermijden.
Hij vindt ook dat je alleen goed kan spelen als je je amuseert en helemaal los kunt gaan. Daarom mag je nooit de kern van jezelf verloochenen en moet je je steeds amuseren. Zonder contact met jezelf en plezier kun je jezelf niet verliezen.
Tot slot gelooft hij ook in serendipiteit. Michael De Cock denkt dat de dingen eerder bij toeval op je pad komen. En dat net de dingen waar je niet naar verlangt of die je niet nastreeft de grootste kansen oplevert.
Conclusie
Zeer aan te raden en vlot leesbaar boek op de grens van essay, manifest en roman waarin Michael De Cock meandert door het leven en zijn ontmoetingen met mensen die hem hebben beïnvloedt. En waarbij hij zijn verbeelding de vrije loop laat. Alleen de verbeelding kan ons redden is uitgegeven bij Lannoo.
Hoe kunnen we onze school zodanig organiseren dat elke leerling evolutie kan maken en krijgt waar hij recht op heeft?
Hoe organiseren we ons onderwijs zo dat we elk kind recht doen, zonder als team kopje-onder te gaan? De zoektocht naar een rechtvaardige schoolorganisatie vraagt om een fundamentele herijking van hoe we tijd en ruimte indelen. Evolutie is voor elke leerling mogelijk, mits de structuur het leren volgt in plaats van andersom. Een diepgaande reflectie op de morele plicht van de school om een omgeving te creëren waar werkelijk niemand tussen de mazen van het net valt.
Het organisatiemodel van scholen omschrijft de manier waarop we het leren van leerlingen organiseren, hoe leraren hun onderwijsopdracht uitvoeren en welke organisatorische leerroutes leerlingen kunnen kiezen. Tot voor kort was het traditionele leerstofjaarklassensysteem het organisatiemodel dat bijna elke school ter wereld hanteert.
Intussen is de wereld fel veranderd en krijgen scholen te maken met veel meer uitdagingen dan vroeger. Zoals inspelen op een sterk gewijzigde leerlingeninstroom, meertalige kinderen onderwijzen, omgaan met sterk verschillende instapniveaus, leerlingen gemotiveerd houden, gaan voor inclusief onderwijs, hoogbegaafde leerlingen uitdagen en het aantrekken en behouden van sterke leraren. Het leerstofjaarklassensysteem schiet voor deze uitdagingen te kort.
Waarom De Sint-Stevensschool in Sint-Pieters-Leeuw haar onderwijs anders organiseert
Vragen die we ons moeten stellen
• Is onze leerorganisatie nog wel afgestemd op het leren van de leerling of is ze eerder het resultaat van het comfort van leraren?
• Kunnen we met onze leerorganisatie voor elke leerling nog altijd een optimale leervordering garanderen?
• Vertrekken we bij onze leerorganisatie vanuit een inclusief perspectief?
• Laat onze leerorganisatie toe om onze leerlingen centraal te stellen in hun leerproces?
• Kunnen we op onze huidige manier zorgen voor leerroutes zonder onderbrekingen?
• Zorgt onze leerorganisatie voor een kwaliteitsontwikkelend perspectief?
“Laat ons bij het samenstellen van lesroosters minder rekening houden met desiderata van leraren en prioriteit geven aan wat leerlingen nodig hebben.”
Soorten leerorganisatiemodellen
• Het leerstofjaarklassensysteem: de leerstof is onderverdeeld in jaarpakketten op basis van de leerontwikkeling van de gemiddelde leerling. Leerlingen zijn gegroepeerd volgens leeftijd.
• Individueel onderwijs: het onderwijs wordt individueel aangestuurd en aangeboden. Dit via een één op één onderwijsrelatie in de vorm van een pupil/mentor relatie.
• Unit onderwijs: onderwijs georganiseerd in grotere klasgroepen met aandacht voor doorlopende ontwikkelingslijnen. Teams van leraren begeleiden gemengde leeftijdsgroepen en hebben veel aandacht voor zelfsturing, coöperatief werk en leerbegeleiding.
• Thuisonderwijs: het onderwijs wordt thuis georganiseerd, veelal door ouders zelf of door een privéleraar. Leerlingen leggen op het einde toetsen af voor een examencommissie op basis van eindtermen of einddoelen.
• Methode onderwijs: dit onderwijs wordt georganiseerd vanuit een centrale visie en filosofie (v.b. Steiner, Freinet, Montessori) en heeft meestal een specifieke pedagogie en didactiek ontwikkeld.
• Modulair onderwijs: de leerstof wordt georganiseerd in modules (leerstofonderdelen) die naast elkaar en op verschillende tijdstippen kunnen gevolgd worden. De modules staan op zich waarvoor leerlingen telkens deelattesten kunnen behalen. Wie alle modules van een opleiding heeft doorlopen krijgt een diploma.
• Blended learning onderwijs is een organisatievorm die oorspronkelijk gebaseerd was op een doordachte mix van contact- en online onderwijs maar vaak ook toegepast wordt via een mix van didactische strategieën ongeacht het gebruik van technologie.
• Brede school onderwijs: deze leerorganisatie streeft een sterke samenwerking met de (lokale) omgeving na met focus op een multidisciplinaire samenwerking in functie van levenslang leren.
De uitdaging bestaat er in om als school pedagogisch architect te zijn en te kiezen voor een mix van leerorganisatiemodellen aangepast aan de noden van de leerlingen en de lokale context. Het doel daarbij is om een ononderbroken leerproces te creëren waarbij de school de leeromgeving aanpast aan de ontwikkeling van leerlingen (en niet omgekeerd).
Mag zo een nieuwe leerorganisatie wel?
Het is antwoord is ja. De groeperingsvorm die de school kiest, behoort tot haar autonomie. De school kan zelf beslissen over tijdsbesteding, weekuurroosters, aanbod gemeenschappelijke vakken, aanpassingen van het leertempo, onderwijskundige methodes en werkvormen. Dit volgens het decreet basisonderwijs uit 1997 en het decreet secundair onderwijs uit 1999. Meerdere scholen in Vlaanderen passen een alternatieve leerorganisatie toe.
Bekijk het breder dan puur het organisatorische!
Scholen vertellen ons regelmatig dat hun leerstofjaarklassensysteem niet meer werkt. De eerste vraag die we dan stellen is of ze ook bereid zijn om te kijken naar hun leerinhouden, naar hun manier van lesgeven, naar hoe ze evalueren, naar hun lestabellen, naar hun fysieke leeromgeving, naar het leermateriaal en naar hun leernetwerk. Als het antwoord negatief is, dan heeft het geen zin en blijft het bij een cosmetische aanpassing of het kan zelfs leiden tot een achteruitgang. Er zijn verschillende scholen die te weinig doordacht flex leertijd voor leerlingen hebben ingevoerd met als gevolg een negatief resultaat en de perceptie bij hun leraren dat flex niet werkt. Andere scholen gingen in zelfsturende teams werken zonder hun pedagogie aan te passen. Ook dit bleek op termijn te resulteren in weinig meerwaarde. Je leerorganisatie aanpassen vergt een systemische aanpak. Een van de manieren om de leerorganisatie vanuit verschillende perspectieven te bekijken, is via het transformatierad:
Het is een denkmodel met acht wielen waarbij je je huidig pedagogisch concept in vraag kan stellen, bijvoorbeeld startend vanuit de ingangspoort organisatie. Dit wiel aanpassen heeft invloed op elk van de andere wielen. Om succesvol te zijn, zul je immers je naast je leerorganisatie ook je leerinhouden, leervormen, leerproces, leertijd, leeromgeving, leernetwerk en leermateriaal voldoende moeten aanpassen en er één versterkend en samenhangend geheel van maken.
Flexibele organisatievormen
Bij de nieuwe uitdagingen in ons onderwijs zijn flexibele organisatievormen noodzakelijk. Op die manier kunnen leerlingen meer eigenaarschap nemen over hun leren en kunnen leraren hen maximale ontplooiingskansen geven. Daarbij hou je het best rekening met vijf bouwstenen:
Outputgerichte leeruitkomsten: voor flexibel onderwijs zijn heldere leeruitkomsten cruciaal. Ze geven aan wat de leerling kan aan het einde van een leerperiode. Belangrijke kenmerken van goede leeruitkomsten zijn outputgerichtheid en herkenbaarheid. Resultaat van deze bouwsteen: helder en goed geformuleerde leeruitkomsten.
Leerwegonafhankelijke toetsing: deze is gericht op het beoordelen van door leerlingen gerealiseerde leeruitkomsten. Deze vorm van toetsing is dus niet afgeleid van het onderwijsaanbod. Leerlingen kunnen via divers ‘bewijsmateriaal’ worden beoordeeld. Het formuleren van beoordelingscriteria bij de leeruitkomsten is hierbij essentieel. Resultaat van deze bouwsteen: Instrumenten en beoordelingscriteria geschikt voor toetsing en validatie.
Onderwijstoolbox: een geheel aan divers en gevarieerd didactisch leermateriaal en leeractiviteiten waarmee de leerling aan het bereiken van de leeruitkomsten kan werken. Resultaat van deze bouwsteen: een variëteit aan leeractiviteiten die verschillende typen leerlingen kunnen gebruiken om hun leeruitkomsten te bereiken
Leerscenario’s: vanuit een onderwijstoolbox kunnen bij een leerling of groep leerlingen een passende set leeractiviteiten en leermateriaal ontwikkeld worden, aansluitend bij persoonlijke leervoorkeuren, leerstrategieën en leeromstandigheden van deze leerlingen. Resultaat van deze bouwsteen: vormgegeven leerscenario’s op basis van persona’s (type en kenmerken leerlingen) die ook individueel maatwerk mogelijk maken.
Coördinatie en organisatie: dit zorgt ervoor dat flexibel onderwijs binnen het team van leraren en tussen leerlingen en leraren onderling prettig en soepel verloopt. Resultaat van deze bouwsteen: duidelijke afspraken binnen het lerarenteam.
Meer info of ondersteuning?
Met het transformatierad en de bouwstenen kun je verschillende leerroutes voor leerlingen ontwerpen. Het spreekt voor zich dat dit het best op een participatieve manier gebeurt en dat je hierbij leraren, leerlingen en ouders voldoende betrekt. EduNext heeft heel wat ervaring op dit vlak en begeleidt verschillende scholen in dit proces. Daarnaast hebben we voor de leerorganisatie ook een rubric ontwikkeld met een aantal criteria die je kunnen uitdagen en helpen om je leerorganisatie te hertekenen. Heb je hierover vragen? Neem contact met dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448.
Van visie naar doelstellingen naar leidende pedagogische principes naar leerlabo's
De weg van een abstracte visie naar de dagelijkse praktijk in leerlabo's loopt via scherp geformuleerde pedagogische principes. Zonder deze tussenstap blijven doelen vaak zweven boven de werkelijkheid. Hoe vertaal je grootse ambities naar concrete leeromgevingen waar leerlingen werkelijk tot hun recht komen? Dit artikel ontrafelt de architectuur van verandering en toont hoe een consistente lijn tussen beleid en klasvloer de basis vormt voor een succesvolle schooltransformatie.
Het is belangrijk om als school een sterke visie te hebben. Je moet weten waar naartoe. De stip op de horizon moet duidelijk zijn. Het is zeer zinvol om daar met het hele schoolteam over na te denken. En daarbij mag je dromen. Als je kijkt naar je huidige en toekomstige uitdagingen, welke school heb je dan nodig? Hoe zou je willen dat je school er in 2027 uit ziet? En dan kom je samen tot een tekst of een aantal pijlers die voor de school belangrijk zijn. De valkuil bestaat erin om deze tekst te blijven bijslijpen totdat hij er op papier perfect uitziet. Om hem daarna te visualiseren op de website, aan de schoolpoort te hangen, te verspreiden via brochures of een plaats te geven tijdens opendeurdagen.
Vertaal de visie in concrete doelstellingen
Het is belangrijk om je schoolvisie verder door te vertalen. Wat betekent deze visie voor je leerlingen, leraren, school en de wereld rondom je school?
- Welke leerlingen wil je zien als ze de laatste keer door je schoolpoort stappen?
- Wat wil je dat leerlingen kennen en kunnen?
- Hoe wil je dat leerlingen met elkaar omgaan?
- Hoe verloopt de relatie tussen leerlingen en leraren?
- Welke kwaliteiten en expertise hebben leraren in je school?
- Welk gedrag vertonen je leraren op school?
- Welke schoolklimaat wil je op school?
- Hoe wil je dat de buitenwereld je school ziet?
- Hoe wil je omgaan met de ouders van je leerlingen?
Deze doelstellingen kun je bij elke nieuw project, bij het uitwerken van processen of bij praktische beslissingen steeds weer voor ogen houden en je afvragen of dit beantwoordt aan je doelstellingen.
VAN DOELSTELLINGEN NAAR leidende pedagogische principes
Hoewel de doelstellingen al een stuk concreter zijn, is dat nog niet voldoende. De link die nog te weinig gemaakt wordt, is de vertaling van de doelstellingen naar de dagelijkse pedagogie en didactiek. Dat vergt een extra slag. Hiervoor kun je het EduNext transformatierad als denkmodel gebruiken. Daarbij ga je samen met het lerarenteam na hoe je voor elk van de wielen van het transformatierad je visie en doelstellingen concreet kunt vertalen in leidende pedagogische principes. Per wiel kun je zo een 3 tot 5 principes bepalen. Goed gedefinieerde leidende principes zijn voldoende concreet, geven sturen en richting maar bieden toch nog genoeg ruimte om die te interpreteren en aan te passen naar de klascontext. Voorbeelden van leidende pedagogische principes zijn:
- Leerinhoud: we reflecteren regelmatig op de vooropgestelde leerdoelen en versterken zo het zelfreflecterend vermogen van leerling en leraar
- Leervorm: onze instructies mogen in de toekomst nog maximaal 20 minuten duren en leerlingen zullen leren beslissen welke instructies ze nodig hebben en welke niet.
- Leerproces: we gaan werken met digitale portfolio’s waarbij leerlingen hun opgedane vaardigheden en nevenactiviteiten kunnen bijhouden
- Leertijd: we starten elke morgen met een gemeenschappelijk kringmoment waarbij leerlingen over een zelfgekozen thema met elkaar in gesprek gaan
- Leeromgeving: wij streven ernaar dat elke leerling op elke moment een plek kan vinden om in stilte te kunnen werken
- Leernetwerk: we gaan de ouderbetrokkenheid versterken door hen ’s morgens de kans te geven om een koffie te drinken hen op vrijdagnamiddag te laten aansluiten bij een gemeenschappelijk moment
- Leermateriaal: We willen een overkoepelende toolbox creëren waar we onze lesmaterialen samen kunnen maken en delen
- Leerorganisatie: We streven ernaar om wekelijks 1 à 2 uur overlegtijd te creëren
Tijdens het bedenken en vormgeven van deze principes hou je het best ook telkens je doelstellingen voor ogen en check je of je via deze leidende pedagogische principes je doelstellingen wel degelijk bereikt. Eens je het met het schoolteam eens bent over de leidende pedagogische principes, vormen ze je kompas tijdens je dagelijks onderwijs.
Weet dat bepaalde leidende pedagogische principes bij leraren angst kunnen oproepen omdat ze het nog niet zien zitten om die uit te voeren of omdat ze er zich nog niet competent voor voelen. Het is belangrijk om daar tijdens het proces voldoende oog voor te hebben, hen daarbij te coachen en zo te werken aan draagvlak.
Van LEidende Pedagogische principES naar LEERLABO’s
Een laatste stap in het proces is om de leidende pedagogische principes te vertalen naar je dagelijks onderwijs. Dat kan via een pilootproject waarbij je alle leidende pedagogische principes integreert. Het is je toekomstige school in het klein. Dat betekent dat je de leidende pedagogische principes vertaalt naar concrete lesinhouden, lestabellen, evaluatie, benodigde leerruimte, organisatie, leermateriaal en netwerk. Een pilootproject kan voor een aantal leraren nog te vroeg zijn of nog te ambitieus. In dat geval kun je ook werken met leerlabo’s. Die kun je zien als een mogelijkheid tot experimenteren waarbij deelteams voor bepaalde leidende principes onderzoeksvragen opstellen, op zoek gaan naar antwoorden, voorstellen uitwerken, deze toepassen in de klas, dit evalueert, erover rapporteren en de resultaten communiceren met de collega’s. Op die manier worden een aantal leidende pedagogische principes concreet.
Als er op school leerlabo’s of pilootprojecten lopen, zul je zien dat de visie veel tastbaarder wordt. Het is geen vrijblijvende tekst meer op de website. Stel dat je bezoek hebt op school, dan zullen leraren en leerlingen die in de leerlabo’s of pilootprojecten actief zijn, de visie gemakkelijk kunnen vertellen omdat hun dagelijkse werking ervan doordrongen is.
Hoe het Sint-Pietersinstituut in Turnhout via leerlabo’s haar visie concretiseert
Wil jij je schoolvisie nog meer TOT leven BRENGEN?
We hebben voor bovenstaande stappen een deeltraject ontwikkeld waarbij we het schoolteam coachen om via enkele interventies te komen van visie naar doelstellingen naar overeengekomen leidende pedagogische principes naar leerlabo’s. Interesse? Neem contact met dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448.
Hoe een fusie tussen basisscholen GAAF! en De Kleine Okapi in Aalst zorgde voor een nieuwe onderwijskundige aanpak en een volledig andere leerorganisatie
Een fusie tussen scholen wordt vaak gezien als een administratieve noodzaak, maar voor GAAF! en De Kleine Okapi was het de katalysator voor een pedagogische revolutie. Door twee culturen te laten versmelten tot een volledig nieuwe leerorganisatie, ontstond er ruimte voor een aanpak die de beperkingen van de afzonderlijke scholen oversteeg. Een inspirerend verslag over hoe een organisatorische breuklijn kan leiden tot een krachtige en vernieuwende onderwijskundige visie.
Tussen 2018 en 2023 waren er op de GO! campus in de Eikstraat te Aalst twee basisscholen actief: GAAF! met een 300-tal leerlingen en De Kleine Okapi met een 70-tal leerlingen. Beide scholen mikten op een ander doelpubliek en hadden een verschillend pedagogisch project. Dit gaf de kans aan ouders om te kiezen tussen een grotere meer traditionele school en een kleinschalige school met elementen uit het methodeonderwijs waarbij ouders zeer betrokken werden. De conflicterende visies van beide scholen zorgden na enkele jaren echter voor heel wat spanningen en frustraties. Zo was er bijvoorbeeld maar één turnzaal en één speelplaats. Daarenboven werd het voor De Kleine Okapi steeds uitdagender om de pedagogische werking te vrijwaren toen er regelmatig leerkrachten uitvielen. Stilaan rees het idee om van beide scholen één school te maken. Het nieuws dat beide scholen zouden gaan samensmelten werd niet op gejuich onthaald bij de ouders van De Kleine Okapi. Ze vreesden ervoor dat de toenmalige werking van de grotere school zou doorgetrokken worden naar de kleinere school. Nochtans was het doel om één pedagogisch concept te bedenken met de sterke elementen van beide scholen. Daarom stelden de scholen van in het begin het principe van gelijkwaardigheid voorop. De schoolteams gaven zichzelf een jaar de tijd om na te denken hoe ze in de toekomst het onderwijs wilden vormgeven. Het eerste jaar zou er dus niets veranderen op de klasvloer. De schoolleiding besefte dat de fusie een kans was om een heel nieuw pedagogisch project uit te tekenen. Gezien de complexiteit van een dergelijke vernieuwing en het feit dat er twee schoolculturen waren met heel wat gevoeligheden, nam de school de beslissing om de hulp van EduNext in te roepen.
Een leidende coalitie op de been brengen
Omdat het niet doenbaar was om telkens met het hele team samen te komen, besloot GAAF! om een kernteam samen te stellen met een evenwichtige verdeling tussen beide scholen.
Kernteam basisschool GAAF! Aalst
Daarbij was er ook een vertegenwoordiger van de ouders van elke school die de communicatie verzorgde naar hun respectievelijke oudergroep. Een kernteam heeft voordelen en nadelen. Enerzijds kun je meer snelheid maken en zijn deze teamleden vaak zeer gemotiveerd en bewust van de nodige verandering. Anderzijds loop je het risico dat het schoolteam niet op dezelfde snelheid zit. Daarom besloot GAAF! om voldoende klankbordmomenten te organiseren met het hele schoolteam. Op die manier konden ze de input en de ideeën van iedereen meenemen en elke collega de kans geven om te wennen aan de nieuwe ideeën door er met elkaar over in gesprek te gaan. Het kernteam kun je zien als de onderzoekers die voorop lopen en mogelijke pistes in kaart brengen maar ook regelmatig terugkeren en afstemmen met hun collega’s. Het kernteam in GAAF! neemt geen enkele beslissing. Ze creëerden draagvlak door het volledige team continu te betrekken. Elke personeelsvergadering en elk overleg stond in het teken van overleg, uitwisseling en reflectie. De ouders betrokken ze via padlet, een oudercafé of een bevraging via Google Forms. Als het schoolteam een draft had, dan hingen ze die aan de inkom om feedback van ouders te krijgen.
Ouders betrekken
Aan de slag
GAAF! ging in september 2022 van start en begon te dromen over hoe hun toekomstige school eruit zou kunnen zien. Daarna keken ze hoe ze die ambities konden vertalen in concrete streefdoelen voor leerlingen, leraren en de school. Om deze daarna verder te concretiseren in leidende pedagogische principes. Daarvoor hanteerde het team het EduNext transformatierad. Voor elk van de wielen (leerinhoud, leervorm, leerproces, leertijd, leeromgeving, leermateriaal, leernetwerk en leerorganisatie) kwam de school tot draft leidende pedagogische principes. Daarna hebben ze die verfijnd en afgestemd met de collega’s tot ze finaal werden. Deze leidende pedagogische principes vormen voor GAAF! het kompas, het zijn krachtlijnen die criteria bevatten waaraan hun onderwijs wil voldoen. Een goed gedefinieerd leidend pedagogisch principe geeft voldoende sturing en richting en biedt toch nog genoeg ruimte aan leraren om dat in hun klas te interpreteren en aan te passen. Deze principes helpen GAAF! bij het nemen van beslissingen en bij reflectie over hun onderwijs. Nadat het schoolteam het eens was geworden over de leidende pedagogische principes, bestond de volgende uitdaging erin om ze in de praktijk te brengen.
Leidende pedagogische principes Basisschool GAAF! Aalst
Geleidelijk aan of gewoon springen?
In eerste instantie was het de bedoeling om te starten met één pilootproject. Maar in april 2023 organiseerde de directie individuele gesprekken met elke leraar waarbij ze in gesprek gingen over hoe ze naar het volgende schooljaar keken en hoe ze zichzelf binnen vijf jaar zagen. Een grote meerderheid van de collega’s was enthousiast over het nieuwe pedagogische concept. Een aantal collega’s zou het jammer gevonden hebben om een heel jaar mee te mogen schrijven aan een nieuw onderwijsconcept en dan nog drie of vier jaar te moeten wachten. Waarom springen we niet met de hele school tegelijk? Een bijkomend argument was dat het moeilijker en moeilijker werd om de kleine school nog een jaar apart te laten bestaan. Zo heeft de school besloten om in september 2023 met alle units tegelijk te starten.
Het pedagogisch concept van GAAF!
De school is afgestapt van het leerstofjaarklassensysteem en heeft gekozen voor unitonderwijs. De leraren hebben zich verdeeld over vier units:
- Unit 1: K0 K1 K2 (instappers, eerste en tweede kleuterklas)
- Unit 2: K3 L1 (derde kleuterklas, eerste leerjaar)
- Unit 3: L2 L3 L4 (tweede, derde en vierde leerjaar)
- Unit 4: L5 L6 (derde graad)
Tussen 8.45 en 9.00 werkt de school met een zachte landing en tussen 15.25 en 15.40 is er een rustig vertrek. ’s Morgens zijn er geen rijen of toezicht. De leerlingen leren om zelf naar hun klasomgeving te komen. Na een kringmoment in hun eigen nest krijgen de leerlingen in de voormiddag instructielessen. De school werkt daarvoor met EDI (Expliciete Directe Instructie) en tijdens die lessen zitten de leerlingen per leerjaar. Dit is het geval voor de tredevakken (Nederlands, Frans en wiskunde) waarbij er een chronologische opbouw is van de leerstof. De leraren werken nu nog met methodes, die bieden een houvast. Het is wel de bedoeling dat ze vanuit de leerdoelen werken en de methodes eerder als bronmateriaal te gebruiken.
Tijdens instructielessen zijn ze met twee leraren aanwezig. De vakexpert geeft de instructie terwijl de andere leraar coacht. Bij een ander vak wisselt dat. Na de instructie zwermen de leerlingen leeftijdsoverschrijdend uit naar het leerplein (behalve in unit 1) samen met een leraar die hen coacht bij het verder verwerven van de leerstof. De andere leerlingen blijven bij de andere leraar in de klas die dan verlengde instructie geeft. Ook als leerlingen geen instructie nodig hebben of na een korte instructie alleen verder kunnen voor hun oefeningen, gaan ze naar het leerplein.
Per nest is er een vaste coach die ook de kringmomenten aan het begin en het einde van de dag begeleidt. Dat zorgt voor verbondenheid en samen leren. Elke unit werkt ontwikkelingsgericht en kijkt waar elk kind staat en wat het nodig heeft. Daarom is het mogelijk dat cognitief sterke leerlingen voor een bepaald thema aansluiten bij een andere unit.
De leerlingen krijgen veel autonomie. Via een planbord en een keuzebord realiseren ze in de loop van de week een aantal doelen en werken ze een aantal taken af. Dat bouwen de leraren geleidelijk aan op. Er is veel aandacht voor zelfregulerende vaardigheden. Leerlingen halen hun benodigde materiaal op in hun bakje en deponeren het - nadat de taak afgewerkt is – terug. Om te zorgen dat het voor de kinderen duidelijk is in welk nest ze zitten, naar welke instructielessen ze moeten en waar ze hun leraar kunnen vinden, heeft de school een systeem met hangkaartjes en magneetjes uitgedokterd.
Keuzebord
De kracht van metaforen en storytelling
Tijdens haar verhaal gebruikt directie Sofie regelmatig metaforen. Zo zag ze hun vroegere situatie met twee scholen als een nieuw samengesteld gezin waarbij de kinderen niet voor elkaar gekozen hebben en toch moeten samenleven.
Daarnaast vertelt ze over een skiër die bij mistig weer naar beneden wil maar het dal niet kan zien. Hij gebruikt de paaltjes en de vlaggetjes om veilig beneden te geraken. Die poortjes zijn haalbare en realistische tussendoelen die de verandering voor leraren behapbaar maken. Door het team daarbij te helpen, vergroot je de slaagkans van de transformatie.
In de school wordt er ook heel veel gevisualiseerd. Overal hangen de leerdoelen uit, hangen er emotiekaartjes aan de deur en zijn er deurbegroeters.
Een van de ouders is heel sterk in tekenen. Zij heeft de werking van de school en hoe een schooldag eruit ziet in een mooi en laagdrempelig verhaal gegoten via Kamishibai vertelplaten. Alvorens te starten met de nieuwe werking, is dat verhaal in alle klassen aan de kinderen verteld. Op die manier konden leerlingen en ouders zich voorstellen hoe een onderwijsdag er in de toekomst zou uitzien.
Aandacht voor het welbevinden
Het feit dat de leraren van GAAF! in team staan en verantwoordelijkheid nemen voor een grotere groep leerlingen, zorgt ervoor dat ze meer samenwerken en dat ze ook bij elkaar terecht kunnen. Ze kunnen hun uitdagingen delen, gezamenlijk tot oplossingen komen en de lasten samen dragen. De teamleden werden er zich dit jaar van bewust dat sterke teamvaardigheden een verschil maken tegenover er alleen voor staan in je klas. Door veel met elkaar te praten, elkaar te steunen en kleine successen te vieren, bleef het team – ondanks de vele uitdagingen tijdens zo een vernieuwingstraject - zeer gemotiveerd. Dat lukte omdat er steeds respect was voor de verschillende snelheden tussen de verschillende leraren en units. Wel is het belangrijk dat er stappen vooruit gezet worden.
“Juf Lieve ging op een bepaald moment 4/5 werken omdat het in het vorige systeem voor haar te zwaar begon te worden. Maar nu ze is overgeschakeld op het nieuwe systeem, werkt ze terug 5/5”
De school maakte van ABC (autonomie, betrokkenheid, competentie) A4BC. Accepteren, aanvaarden en aandacht voor iedereen. Door regelmatig individueel en samen terug te blikken op wat het traject met hen heeft gedaan, wat hen energie geeft en wat ervoor zorgde dat het soms minder goed ging, werkt het team aan haar zelfreflectievaardigheden en haar veerkracht. Als er frustraties zijn, dan probeert de school om dat naar boven te brengen tijdens de bijeenkomsten, niet in de wandelgangen of in de leraarskamer. Geen vergadering na de vergadering.
Tijd creëren
Een dergelijke werking uitdokteren en bijsturen zou niet mogelijk zijn zonder veelvuldig overleg. Tijdens de levensbeschouwelijke vakken (2 u/week) is er binnen de units mogelijkheid tot overleg. Daarnaast roostert de school de leraren zoveel mogelijk vrij van toezichten. Er is bijvoorbeeld een extra toezichter aangesteld en ook de directie en de zorgcoördinator nemen regelmatig over. De unitwerking zorgt ervoor dat leraren ook overdag korte overlegmomenten hebben. Daarnaast zijn de meeste leraren om 8 uur aanwezig zodat ze tot 8.45 uur ook nog tijd hebben om af te stemmen.
Het blijft in beweging
Vaak hoor je tijdens seminaries en congressen verhalen over innovatieve scholen waarbij je jezelf de vraag stelt of dit in de praktijk wel echt zo werkt. Wel, tijdens onze rondgang konden we het verhaal van Sofie bij alle leerlingen en leraren terugvinden. Het leeft echt. De leraren deden per unit zelf hun verhaal, leerlingen lopen ons voorbij en plakken hun magneetje op het keuzebord, nemen hun materiaal uit hun bakje en hangen hun kaartje rond hun nek. Zonder dat ze daartoe aangespoord worden. In de klas werken ze zelfstandig of onder begeleiding van de coach.
In vele innovatieve scholen die we bezoeken, krijgen we soms het gevoel; ‘dit is het’, ‘dit is wat we willen’, terwijl de mindset in GAAF! is dat het in volle beweging blijft. Het traject verloop in theorie rechtlijnig van A naar B, in de realiteit zijn er veel kronkels. GAAF! bouwt de brug terwijl ze erover lopen. Ze beseffen dat ze nog maar aan het begin staan en dat ze nog veel zullen vallen en leren. Maar ze zien wel dat dit onderwijsconcept veel meer potentieel heeft voor de uitdagingen die zich stellen.
“Als je de vraag zou stellen wie nog terug wil naar het oude systeem, zou je weinig kandidaten vinden. ”
Foto Jean-Pierre Swirko
Meer weten over trajectbegeleiding?
Alle credits gaan naar het hele schoolteam die voluit voor dit traject is gegaan. Vanuit EduNext zijn we heel blij om dit fantastische team te mogen begeleiden. Ben je benieuwd naar wat zo een transformatiecoachingstraject voor jouw school kan inhouden? Vraag een vrijblijvend gesprek aan via mail naar dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448
In een teamsport moet elke speler op haar of zijn beste plaats staan, hetzelfde geldt in een school voor de medewerkers
Een schoolteam functioneert als een topsportteam: de resultaten vallen of staan bij de juiste opstelling. Te vaak worden medewerkers ingezet op basis van diploma's of anciënniteit, in plaats van hun werkelijke talenten en passies. Hoe herverdeel je rollen zodat iedereen vanuit zijn kracht bijdraagt aan de gezamenlijke visie? Het optimaal benutten van de menselijke kapitaal op school is de snelste weg naar een duurzame transformatie waar zowel leraar als leerling bij wint.
Misschien klinken volgende uitspraken je wel bekend in de oren:
‘Als er op school iets moet gebeuren, kom je altijd bij dezelfde mensen uit.’
‘Is dat niet het werk van de klastitularis?’
‘Vroeger deed Roel dat maar nu hij er niet meer is, weet ik het niet’
‘Wie is er hier eigenlijk verantwoordelijk voor de bestelling van het labomateriaal?’
‘Waarvoor hebben we anders coördinatoren?’
Onduidelijkheid over de taakverdeling kan een schoolteam stevig ontregelen. Je kunt de teamdynamiek enorm versterken door te zorgen voor een evenwichtige, gedragen en heldere rolverdeling in lijn met ieders talenten.
Waarom rollen verdelen?
Een goede rolverdeling in een team zorgt voor een evenwichtige verdeling van taken waarbij iedereen bijdraagt en waardoor je ieders expertise en talenten benut en waardeert. Zo wordt het ook voor iedereen duidelijk wie wat doet, is het helder wat je van elkaar kunt verwachten en waar je voor wat terecht kunt. Het bevordert tegelijk de teamdynamiek en het welbevinden van het team. Als het proces op een participatieve manier verloopt, draagt het ook bij tot inclusieve besluitvorming. Bovendien zorgt een goede rolverdeling voor een efficiënte uitvoering van taken. Daarnaast is het een manier om te evolueren van een klas- naar een schoolopdracht. Heel veel voordelen, niet?
Hoe pak je het aan?
In een proces van rolverdeling, kun je volgende stappen onderscheiden:
1. Inventariseren kerntaken van het team
2. Kennis, talenten, vaardigheden en expertise teamleden in kaart brengen
3. Match maken tussen kerntaken team en kennis, talenten, vaardigheden en expertise teamleden
4. Rolverdeling in het team vastleggen
5. Verantwoordelijkheden en opvolging afspreken
Het ziet er eenvoudig uit, in de praktijk is het dat vaak niet. Tijdens zo een proces van rolverdeling wordt het immers duidelijk hoe sterk het team al is en in welke mate de teamleden erin slagen om de taken gelijkmatig onder elkaar te verdelen. Dat betekent dat de relationele bedrading die misschien onder de waterlijn aanwezig was, nu aan de oppervlakte komt.
Sociocratisch proces
Het is best dat teamleden zelf de kerntaken van het team in kaart brengen. Om daarna ook elkaars expertise, kennis, vaardigheden en talenten te benoemen. En om elkaar daarna te nomineren voor een bepaalde rol die voor een taak verantwoordelijk is. Een belangrijke voorwaarde om dit te durven, is vertrouwen en een veilige omgeving. Collega’s moeten elkaar tijdens het proces van rolverdeling feedback durven geven. Anders kom je niet tot de beste rolverdeling. Maar als die veiligheid er is, kan er een sterke teamdynamiek ontstaan. Uit onze ervaring blijkt dat in zo een proces sommige teamleden wel heel veel genomineerd worden omdat de collega’s weten dat zij of hij de taak goed zal uitvoeren. Als die persoon de nominaties in ontvangst blijft nemen en niet weigert, dan is er een procesfacilitator nodig die stop zegt en zo deze persoon in bescherming neemt. Het omgekeerde kan ook gebeuren. Bepaalde teamleden krijgen geen nominaties van taken van hun collega’s. Dat gebeurt meestal bewust. Zo kwam een van de teamleden in een school die we hebben begeleid in dit proces net na de pauze in paniek bij ons. Iedereen had al taken toegewezen gekregen en niemand had hem genomineerd. Dat voelde niet goed aan. Direct na de break stelde hij zich kandidaat voor een van de volgende te verdelen taken.
Start klein, denk groot
Direct een rolverdeling samen met het hele schoolteam op touw zetten, kan verkeerd uitpakken. Je kunt beter minder ambitieus beginnen. Bijvoorbeeld met het kleuterteam, een bepaalde graad, een vakgroep, het beleidsteam, het schoolbestuur of het secretariaat. Onze ervaring is dat er aan de rolverdeling best een proces van visievorming vooraf gaat. Wat wil je bereiken met het team? Waar wil je de komende jaren op focussen? Wat zijn belangrijke werven die je samen wil aanpakken? Welke pedagogische vernieuwingen wil je realiseren? Hoe wil je de verbinding leggen met de andere teams op school en daarbuiten? Als die doelstellingen duidelijk zijn, kun je starten met de benodigde taken in kaart te brengen die nodig zijn om die doelstellingen te realiseren. Om dan verder de volgende stappen in het proces van rolverdeling te zetten.
Hoe het Atheneum Antwerpen kwam tot een evenwichtige taakverdeling
Hulp nodig?
EduNext heeft intussen al heel wat expertise opgebouwd en ondertussen verschillende teams begeleid om te komen tot een evenwichtige en gedragen rolverdeling. We hebben daar een specifiek begeleidingstraject voor ontwikkeld dat we aanpassen op maat van de school. Voor een vrijblijvend intakegesprek, kun je contact opnemen met dirkdeboe@edunext.be of Dirk bellen op 0474/949448.
Creatief denken, een cruciale competentie voor leerlingen, leraren, coördinatoren, beleidsmedewerkers en directies
Creativiteit wordt vaak verward met artistieke expressie, maar in de kern is het een cruciale probleemoplossende competentie voor iedereen op school. Van de directie die een recruiter-conflict aanpakt tot de leraar die een leerling weer wil boeien: creatief denken is de brandstof voor innovatie. Het vraagt om de durf om vertrouwde patronen los te laten en te experimenteren met het onbekende. Een pleidooi om creativiteit als professionele vaardigheid serieus te nemen.
Vorige week maakte de OESO de resultaten bekend voor ‘creatief denken’. Daarbij onderzoeken ze of leerlingen creatieve ideeën kunnen bedenken die leiden tot oplossingen van bepaalde problemen, verschillende ideeën voor problemen kunnen bedenken en of dat ze bestaande ideeën kunnen evalueren en verbeteren. Binnen Europa zitten de Vlaamse leerlingen bij de top voor creatief denken. Belangrijke noot daarbij is dat er veel verschillen zijn tussen de leerlingen. In de krant vroeg een pedagoog zich af of je creatief denken wel kon leren. Het antwoord is ja. Creatief denken is geen talent waar je mee geboren wordt. Je kunt creatiever leren denken. Het is daarenboven een cruciale vaardigheid voor leerlingen die terechtkomen in een samenleving met complexe uitdagingen waar ze dagelijks out-of-the-box zullen moeten kunnen denken. Het is dus logisch dat scholen hen daarin versterken. De resultaten in Vlaanderen mogen dan wel positief zijn, in heel wat scholen kan creatief denken meer aan bod komen. Leerlingen maar ook leraren, directies, beleidsmedewerkers hebben er belang bij om creatief te kunnen denken. Zeker nu er dagelijks veel meer uitdagingen hun pad kruisen dan pakweg twintig jaar geleden.
Je brein als inspiratievat
Net als dat je kennis nodig hebt om nieuwe kennis te kunnen creëren, heb je bij creatief denken grondstof nodig waarmee je aan de slag kunt gaan. Die grondstof is inspiratie in allerlei vormen. Je voegt eerst inspiratie aan je brein toe om er nadien - vaak onder een andere vorm en op een later moment – ideeën uit te halen. Een van die manieren om je inspiratievat te vullen, is goed leren observeren. Anders leren kijken en interessante dingen - die misschien nog niet meteen bruikbaar zijn - opslaan in je brein voor later. Dat kan bijvoorbeeld op volgende manieren:
- Een prikbord in de leraarskamer waar je inspirerende artikels ophangt
- Op bezoek gaan bij andere scholen
- Een onderwijsevent zoals sett bijwonen
- Een nieuwsbrief met interessante blogartikels, linken en video’s
- Op schoolreis naar het buitenland gaan
- Deelnemen aan professionele netwerken over de schoolmuren heen
- Een bibliotheek met interessante boeken, tijdschriften en artikels
- Bij elkaar gaan observeren in de les en nadien uitwisselen
- Eens kijken hoe andere sectoren zoals de zorg het doen
Echt observeren vraagt een andere manier van kijken. Heel wat mensen kijken nog zonder te zien. Veel interessante dingen liggen soms verborgen in volle zicht. Door een kijkwijzer met verschillende aandachtspunten mee te geven tijdens schoolbezoeken, kun je leraren helpen om meer te observeren dan ze normaal zouden hebben gezien. Je kijkt immers vaak met een bepaalde focus. Door die focus te veranderen, kun je nieuwe dingen ontdekken die je eerst niet zag. Een leuke techniek is straatjutten, ontwikkeld door Richard Stomp. Daarbij ga je met je fototoestel in aanslag naar buiten, bijvoorbeeld naar een bepaald plek waar je mogelijke innovatieve ideeen verwacht. Je kijkt verwonderd met de ogen van een kind. Als je iets grappigs of interessants, dan neem je een foto. Achteraf probeer je het concept achter die foto te achterhalen en dat concept te gebruiken om een eigen idee mee te ontwikkelen.
“Scroll eens door je foto’s op je smartphone en bedenk met een van je foto’s een idee voor je school”
Ideeën uit je inspiratievat halen
Hoe vertaal je nu die inspiratie in concrete ideeën? Een van de manieren om de ideeën uit je brein te halen, is vlot kunnen associeren. Associëren is het leggen van verbindingen, het maken van koppelingen en het leggen van relaties tussen het ruwe materiaal in je brein en alle informatie erbuiten. Veel associëren zorgt dat je brein soepel wordt. Het is vergelijkbaar met een sportieve prestatie. Daarvoor moet je ook heel regelmatig je spieren trainen. Voor mentale prestaties moet je je breinspieren ook oefenen. Wie snel, vlot en veel verbindingen kan leggen, zal later, als hij een uitdaging of probleem wil aanpakken, veel gemakkelijker oplossingen kunnen bedenken. Enkele manieren waarop je dat kunt oefenen:
- Som in een minuut zo veel mogelijk woorden op die beginnen met een bepaalde letter
- Begin met de laatste letter van een woord telkens een nieuw woord
- Vorm zo snel mogelijk een zin met de letters van een nummerplaat
- Maak woordslangen: begin met een willekeurig woord en associeer daarop verder
- Maak verhalen met de titels van de nummers van een muziekplaat
- Kies vijf willekeurige objecten en maak er een verhaal mee.
Creatieve mindset
Belangrijk bij creatief denken, is hoe je naar situaties kijkt. Je kunt er op twee manieren naar kijken: als een advocaat van de duivel (‘ja maar …’) of als een kritische vriend (‘ja en …’). Nog te vaak gaan ideeën verloren omdat iemand bij het aanhoren van een idee al meteen begin op te noemen wat fout kan gaan. Ideeëndoders zijn zeer nefast voor een innovatiecultuur in een school. Je kunt mensen wel bewust maken van hun gedrag en je kunt hen ook zeggen dat het nu nog te vroeg is hiervoor maar dat ze later in het proces hun bezwaren gaan kunnen uiten.
“Hang een ‘idea killers’ poster in de leraarskamer of maak een eigen schooleigen ideeënbooster ”
Je kunt deze ideeëndoders ook omdenken en ze positief en versterkend maken:
Afbeelding links: COCD / afbeelding rechts: EduNext (getekend door Axelle Vanquaillie)
pAS het creatief proces TOE
Creatief denken heeft nood aan structuur. Dit kan via drie stappen:
1. Definieer de uitdaging of het probleem
2. Bedenk zoveel mogelijk ideeën zonder rem of oordeel
3. Selecteer de beste ideeën en realiseer ze
Vaak staan we niet lang genoeg stil bij de uitdaging en vliegen we er meteen in. Het is raadzaam om na te denken over het waarom van de uitdaging en te kijken of dit wel degelijk de uitdaging is, of ze voldoende concreet geformuleerd is en of er misschien meerdere uitdagingen onder schuilen.
Soms slaan we ook stap 2 over en beginnen we meteen met de uitwerking van een eerste idee terwijl misschien nog iemand een beter idee heeft. Door iedereen aan bod te laten komen, vergroot je de kans op meer en betere ideeën en voelt iedereen zich ook gehoord.
Tot slot is het ook belangrijk om ideeën te groeperen, te selecteren, uit te werken en uit te proberen. Als ideeën gerealiseerd worden, zorgt dit voor energie en vergroot dit de kans dat mensen verder creatief gaan nadenken.
“Denk tijdens een brainstorm eerst individueel en in stilte na. Schrijf je ideeën op en wissel die nadien één voor één met elkaar uit”
Hoe doen jullie het op vlak van creatief denken?
Creatief denken is een van de elementen van het vierledig transformatierad. Het is een belangrijke teamvaardigheid en een hefboom voor verandering. Leraren die creatief kunnen denken, gaan meestal vlotter met vernieuwing om. Van een probleem maken ze een uitdaging.
EduNext heeft een rubric ontwikkeld waarbij je kunt nagaan in welke mate je de teamvaardigheid creatief denken op school al ontwikkeld hebt. Dit zijn enkele vragen waar je over kunt nadenken:
• In welke mate schenken jullie op school aandacht aan creatief denken?
• In welke mate moedigen jullie in jullie school out-of-the-box denken aan?
• In welke mate kunnen leraren hun oordeel uitstellen (niet te snel 'ja maar')?
• In welke mate stellen jullie afremmende patronen/gewoontes in vraag?
• In welke mate zijn jullie vaardig in creatief denken? (uitdaging herformuleren, divergeren, convergeren, creatieve technieken)
• In welke mate doen jullie aan co-creatie en beschikken jullie over tools om dat te ondersteunen?
• In welke mate leren jullie jullie leerlingen creatief denken?
Via de indicatoren uit de rubric kun je dan nagaan hoe je op elk van de criteria kunt groeien.
Meer info?
Wil je hierover meer weten? Zin in een workshop of deeltraject? Contacteer Dirk De Boe op dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448
Het vierledig transformatierad, een dynamisch denkmodel om in gesprek te gaan over duurzame transformatie van je school
Duurzame transformatie is geen lineair proces met een duidelijk eindstation, maar een voortdurende beweging tussen verschillende dimensies van de schoolorganisatie. Het vierledig transformatierad biedt een structuur om de dialoog over visie, cultuur, structuur en context scherp te houden. Door deze elementen constant met elkaar in verbinding te brengen, voorkom je dat vernieuwing versnippert en zorg je voor een fundament dat ook bij woelig water stevig blijft staan.
Jaren terug besloten we om ons te specialiseren in veranderingsprocessen. Om hierover in gesprek te kunnen gaan met onderwijsprofessionals die we inspireren en begeleiden, hadden we een kader nodig. Gebaseerd op het curriculair spinnenweb van Jan van den Akker, ontwikkelden we in eerste instantie het pedagogisch-didactisch transformatierad. De essentie hiervan is dat leerlingen eigenaarschap over hun leren kunnen nemen op elk van de acht elementen. Het transformatierad hebben we tijdens begeleidingen, pedagogische-studiedagen, navormingen en directiecongressen uitvoerig gebruikt om directies, leraren en coördinatoren te laten nadenken over hun huidig onderwijsconcept en hen uit te dagen om er een ambitieus alternatief voor te bedenken. We beseften toen al dat het pedagogische transformatierad alleen niet voldoende is. Het is niet omdat je een nieuw pedagogisch concept kunt bedenken dat je het ook kunt realiseren. Via een praktijkonderzoek hebben we nagedacht hoe we een nieuw pedagogisch concept duurzaam en persoonsonafhankelijk konden maken.
“Welk kader gebruik jij om over verandering in je school te praten?”
Tijdens onze interviews met Vlaamse innovatieve directies uit basis- en secundair onderwijs bleek dat net de achilleshiel te zijn bij hun veranderingstrajecten. Het veranderingstraject viel op een bepaald moment stil omdat leraren over onvoldoende vaardigheden beschikten, omdat de schoolcultuur te weinig ondersteunend was of omdat noodzakelijke processen ontbraken. Met deze input en onze eigen praktijkervaring, vatten we een uitgebreide literatuurstudie aan en kwamen we tot een aantal bepalende factoren.
Complexe veranderingen in één beeld VATTEN?
De grote uitdaging is om een ingewikkelde materie als een transformatie op een eenvoudige manier voor te stellen zonder dat de complexiteit verloren gaat. Na heel wat ontwikkeling kwamen we uit bij het vierledig transformatierad:
Vierledig transformatierad EduNext
Daarbij bouwden we verder op het pedagogisch didactisch transformatierad en voegden we drie cirkels toe. Zo ontstonden:
- 11 vaardigheden die het lerarenteam nodig heeft om het nieuwe pedagogische concept in de praktijk te brengen.
- 8 cultuurelementen die er samen voor zorgen dat het nieuwe pedagogische concept zich in het DNA van de school kan zetten.
- 8 proceselementen bestaande uit voorwaarden en acties op weg naar een duurzaam transformatieproces.
Het vierledig transformatierad geeft zo een structuur om over transformatie in gesprek te gaan en er gerichte acties voor te bedenken.
Systemisch denken
Het vierledig transformatierad laat ook toe om linken te leggen tussen de verschillende elementen onderling en tussen de elementen over de verschillende cirkels heen. Zo kun je een link leggen tussen creatief denken en het innovatieklimaat maar evengoed is er een relatie tussen metingen en kwaliteitsontwikkeling. Je kunt van binnen naar buiten linken leggen en omgekeerd. Zo kun je bijvoorbeeld bij de leervorm vanuit teamteaching starten (pedagogisch-didactisch). Daarvoor zul je een team nodig hebben dat goed kan samenwerken, durft te reflecteren en elkaar feedback geven (vaardigheden). Het team zal op een inclusieve manier besluiten moeten kunnen nemen (cultuur) en de rollen binnen het team goed moeten verdelen (proces).
Van buiten naar binnen kun je bijvoorbeeld starten bij de creatie van een schoolbrede toolbox als dynamisch co-creatief platform met inspiratie, werkvormen, checklists, goede praktijken en geleerde lessen. Deze kan een cultuur van professionalisering voeden en een boost geven aan vaardigheden als didactisch handelen en netwerken. Dit zal uiteindelijk het leerproces van leerlingen (pedagogisch-didactisch) ten goede komen.
“Welke systemische verbanden kun jij leggen voor je school?”
Dit model kun je gebruiken om in plaats van het lineaire oorzaak-gevolg denken na te denken overversterkende relaties tussen de elementen en zo breng je beweging in de hoofden van leraren. De invulling van opleidingen en pedagogische studiedagen kan zo ook veel zinvoller verlopen.
Begin niet aan alles tegelijk
Het vierledig transformatierad maakt ook meteen duidelijk dat een duurzame en persoonsonafhankelijke transformatie een werk van lange adem is en meerdere jaren in beslag neemt. Je zult dus keuzes moeten maken en prioriteiten stellen. Je kunt immers niet aan 35 elementen tegelijk werken. Om scholen daarbij te ondersteunen, hebben we voor elk van de elementen uit het vierledig transformatierad een rubric ontwikkeld. Daarbij hebben we in de verticale as een aantal voor het desbetreffende element belangrijke criteria gedefinieerd. In de horizontale as staan vier niveaus waarvoor we telkens indicatoren hebben bepaald. Hieronder een voorbeeld van de rubric innovatieklimaat:
EduNext rubric Innovatieklimaat
Door te verdiepen op een element, kom je te weten bij welke criteria je al goed scoort en kun je beter definiëren wat je specifieke uitdagingen zijn. De scores zijn louter informatief, het zijn de kwalitatieve gesprekken die je er samen over voert die je inzicht geven in je sterktes en je groeikansen.
Neem een foto van je school
Het zou natuurlijk een hels karwei zijn om elk van die elementen via rubrics in detail te bespreken. Daarom hebben we een transformatiescan ontwikkeld die je samen met je beleids- en/of schoolteam kunt invullen. Hierbij schaal je je school op basis van een definitie in op elk van de 35 elementen. Je motiveert telkens in enkele woorden of met een voorbeeld waarom je die score geeft. Als je de scores samenvoegt zie je op welke elementen dat je al goed bezig bent en waar je nog kunt in verbeteren. Of je ontdekt discrepanties tussen de scores van verschillende teamleden. Via dieptegesprekken kun je met behulp van de rubrics ontdekken op welke elementen je het best focust. .
WIL JE met het vierledig transformatierad aan de slag gaan?
- Lees het boek De Ultieme gids voor transformatie van je school
- Organiseer een workshop systeemdenken of een workshop hoe bedenk je een nieuw onderwijsconcept?
- Organiseer samen met je schoolteam een transformatiescan
- Ga voor een meerjarig begeleidingstraject of deeltraject
Voor een vrijblijvend intakegesprek kun je contact nemen met Dag De Baere via dagdebaere@edunext.be of Dag bellen op 0472/095473
De impact van AI op de werkvloer – Tom Palmaerts en Dagmar Van Gucht
Artificiële intelligentie is niet langer een futuristisch scenario, maar een realiteit die de fundamenten van ons werk herdefinieert. Tom Palmaerts en Dagmar Van Gucht verkennen de impact van AI op de werkvloer en dagen ons uit om de menselijke factor opnieuw te waarderen. In een wereld waar machines taken overnemen, wordt de vraag wat ons uniek maakt als opvoeder en professional prangender dan ooit. Hoe verhoudt de school van vandaag zich tot de digitale intelligentie van morgen?
Trendwatchers Tom Palmaerts (Trendwolves) en Dagmar Van Gucht (Employee Welbeing Officer) spraken vorige week tijdens het MTech+ event Tope Tegoare (drie keer raden in welke provincie) over de huidige en toekomstige impact van AI, dit op basis van wetenschappelijk onderzoek in samenwerking met wellbeing experte Ann De Bisschop.
Dagmar Van Gucht en Tom Palmaerts
Polycrisis
We zitten in een meervoudige crisis (covid, toelevering van onderdelen in de maakindustrie, energiecrisis, mobiliteitscrisis …). Veel crises zijn zich tegelijk aan het voltrekken. Ons antwoord daarop is vaak nostalgie. We kijken met heimwee terug naar vroegere tijden waarbij we op een geromantiseerde manier kijken naar een leven zonder stress, bij voorkeur op het platteland met weinig technologie. Zoals Wim Sonneveld het zo mooi zingt in Het dorp. Misschien is AI een manier om voorbij onze nostalgie te gaan, opperen de sprekers.
“Een mondiale polycrisis doet zich voor wanneer crises in meerdere mondiale systemen causaal verstrengeld raken op een manier die de vooruitzichten van de mensheid aanzienlijk verslechteren.”
Het gaat razend snel!
AI heeft op twee maand tijd 100 miljoen extra gebruikers terwijl Instagram daar twee jaar over deed. Iedereen kan met Music AI bijvoorbeeld zelf muziek maken. Buddywise voorkomt letsel en verlies van mensenlevens door gebruik te maken van realtime risicodetectie en kan zo bedrijven helpen om proactief een veiligere werkplek op te bouwen. AI kan de samenvatting van je meetings en je actiepunten maken. Het kan je helpen om je agenda terug goed te krijgen. In 2030 zullen volgens de sprekers 80% van de mensen met AI werken.
Er zullen jobs verdwijnen, verschijnen en veranderen. In 2036 zullen er een half miljard nieuwe menselijke jobs bijgekomen zijn! Niemand weet hoe die eruit gaan zien. Vaak verdwijnen er jobs maar blijft het werk. Dat gebeurt dan op een andere manier.
AI kan ook jobs minder vuil, gevaarlijk of saai (less dirty dull or dangerous) maken zoals rioolwerken, bommen ontmantelen, data invoeren of gegevens controleren.
Dagmar Van Gucht en Tom Palmaerts
Belgische naïviteit?
Slechts 19% van de Belgen gebruikt volgens het onderzoek AI op het werk terwijl dat internationaal 75% is. Toch zijn in België 75% van de mensen overtuigd dat AI jobs gaat overnemen. Maar ze denken niet dat het hun eigen job zal zijn. 30% geeft toe dat AI impact zal hebben op hun werk. Anderzijds groeit het bewustzijn snel:
- 66% van de ondervraagde leiders zegt dat ze niemand aanwerven zonder AI vaardigheden
- 71% zegt dat ze liever een minder ervaren kandidaat hebben met sterke AI vaardigheden
- 54% van de jonge werknemers zegt dat toegang tot AI hun werkgeverskeuze beïnvloedt
- De VRT heeft een AI manager aangesteld
Daarnaast vermelden de sprekers ook onderstaande matrix waarbij het menselijke samen met het artificiële voor een sterke combinatie zorgt.
Matrix AI - menselijke vaardigheden
AI verbreedt het sprectrum van mogelijkheden
Als de sprekers tijdens hun onderzoek aan mensen vragen wat AI mag doen en wat ze graag hebben, dan denken ze vaak aan automatisatie van repetitieve taken, efficiënter werken, zorgen voor minder menselijke fouten, efficiënte verdeling en planning van het werk
“Denk eens na welke vijf minuten van je dagelijks werk AI zou kunnen overnemen? ”
Dagmar Van Gucht en Tom Palmaerts
Nood aan structuur
Het risico van ‘bring your own AI’ is dat er ook data extern wegvloeit. Er is nood aan een AI beleid en ethische gesprekken over AI. Zo is Ai dat emoties herkent in Europa verboden omwille van privacy. Nochtans zou het bedrijven kunnen helpen om via deze tool mensen die dreigen uit te vallen te herkennen. Ze zouden proactief kunnen checken hoe goed mensen zich voelen. De vraag stelt zich dan ook in welke mate we AI positief kunnen gebruiken.
Tips
De sprekers lieten ons niet achter zonder tips:
- Ga in gesprek met je medewerkers: gebruik je AI en waarvoor hanteer je het?
- Voorzie voldoende training en opleiding
- Breng verschillende soorten mensen samen om met AI aan de slag te gaan en het over ethiek te hebben
- Denk na hoe AI kan helpen om het werk werkbaarder te maken
Gastvrouw Francesca Vanthielen wees na afloop terecht op de milieu-impact van AI en de grote hoeveelheid servers die moeten gekoeld worden. De sprekers antwoorden dat de technologie dit gaat oplossen. Maar als AI door meer mensen én intenser gebruikt gaat worden, is het nog maar de vraag of de technologische efficiëntie het energieverbruik zal kunnen compenseren, laat staan drastisch naar beneden brengen.
Het gebruik van groeitaal, een krachtige hefboom voor verandering
De woorden die we gebruiken in de leraarskamer en in de klas bepalen de grenzen van wat we voor mogelijk houden. Groeitaal is meer dan een set positieve woorden; het is een instrument om een mindset van potentieel te installeren. Door de focus te verleggen van wat niet lukt naar wat nog kan worden geleerd, verandert de hele dynamiek in een school. Ontdek hoe een bewuste taalkeuze een cultuur van angst kan ombuigen naar een cultuur van onbegrensde groei.
De manier waarop sommige politici de voorbije weken met elkaar spraken, doet onze haren te berge rijzen. Ook als ze het over onderwijs praten. Ze hebben het over de lat die hoger moet, het niveau dat moet opgekrikt worden of leerlingen die moeten worden bijgespijkerd. Ze willen allemaal dat onze leerlingen het Nederlands goed beheersen maar zelf blinken ze qua taalgebruik niet altijd uit. Vaak gebruiken ze taal die uitgaat van een kloof tot iets dat moet bereikt worden, van een afstand tot een norm. Het is dikwijls harde taal die uitgaat van een negatieve startsituatie en die voor de doelgroep weinig motiverend of zelfs kwetsend over komt. Gelukkig zijn er weinig onderwijsprofessionals die op die manier over hun leerlingen of collega’s spreken. Toch merken we ook bij hen nog veel taal die beter kan. We kunnen er allemaal in groeien. Het ‘meerdere-mindere’-model dat we van kindsbeen af mee krijgen, plaatst ons regelmatig in een meerdere positie ten opzichte van de ander, waardoor die in een mindere positie terechtkomt. En dat uit zich in ons taalgebruik. Het vergt elke dag inspanningen om vanuit een evenwaardig perspectief te communiceren. Zelfs al zijn we heilig overtuigd van het belang van een groeimindset, onze woordkeuze volgt niet altijd. Communiceren via groeitaal is een kunst. En het heeft veel impact op het gedrag van collega’s. En op jouw eigen gedrag.
De magische woorden ‘nog’ en ‘al’
Een zin als ‘ik kan dit niet’ klinkt helemaal anders dan ‘ik kan dit nog niet’. In de laatste zin ga je ervan uit dat je het ooit wel gaat kunnen. Het is een kwestie van tijd en inzet eer het zover is. Het woord ‘al’ zet de stappen die je al hebt genomen in de verf en geeft je energie. Het zorgt dat je kunt verder bouwen op wat je al gerealiseerd hebt. Het zijn woorden die bij het coachen van leerlingen en leraren heel veel effect hebben. Als een leraar zegt: ‘ik kan dit niet’, kun je vragen: ‘Kun je dit niet of kun je dit nog niet?’ en ‘Wat heb je nodig om het te kunnen?’. Dat kan het aanleren van een vaardigheid zijn of misschien gewoon meer tijd. Op die manier het gesprek voeren, zorgt voor begrip en voor een mogelijke verschuiving in het denken van die collega. Gebruik daarom taal die zich richt op mogelijkheden in plaats van beperkingen. Spreek eerder over kansen en voordelen die een verandering biedt dan over problemen of beperkingen die ze met zich meebrengt. Focus eerder op wat je gaat doen en minder op wat je niet gaat doen. Als je bijvoorbeeld wil aangeven dat je niet gaat hervallen in de fouten van het verleden, kun je beter aangeven wat je in de toekomst anders gaat doen. Met een zin als ‘het is niet onze bedoeling om …’ bereik je vaak het omgekeerde: de toehoorder vergeet de negatie en begint na te denken over de situatie die je niet wil.
Denk negatief klinkende woorden om
Als je in een gesprek met een collega zegt dat je begrijpt dat hij in weerstand gaat, dan activeer je pas die zogenaamde weerstand. Niemand wordt graag op die manier aangesproken. Die collega vindt van zichzelf waarschijnlijk dat hij helemaal niet in weerstand gaat. Hij denkt daar gewoon anders over, heeft misschien nog meer argumenten nodig om de voorgestelde vernieuwing te omarmen of vraagt zich af of hij wel de vaardigheden heeft om het gewenste in de praktijk te brengen. Als je denkt in woorden als draagvlak, bijstand of veerkracht, dan kijk je helemaal anders naar de situatie en vertrek je van het idee dat je samen inspanningen levert om achter een nieuw idee te gaan staan.
“Waarom niet een nieuw woord bedenken voor onze personeelsvergadering? Wie maakt graag deel uit van het personeel?”
Ook kunnen bepaalde begrippen door omstandigheden een negatieve weerklank hebben gekregen. Stel dat je een project binnenklasdifferentiatie hebt gelopen en dat heeft niet de gewenste resultaten opgeleverd, dan kun je die term in de toekomst het best vermijden. Je kunt het dan bijvoorbeeld hebben over hoe elke leerling zo goed mogelijk haar of zijn leerdoelstellingen kan realiseren.
Gebruik actieve en waarderende taal
Zinnen met ‘worden’ zetten niet aan tot beweging. En net die dynamiek heb je nodig tijdens een veranderingsproces. Maar ook werkwoorden zoals ‘zijn’ vervangen door krachtigere alternatieven zoals ‘doen’, ‘leren’ en ‘ontwikkelen’ hebben meer impact. ‘Zijn’ impliceert dat de situatie blijft zoals ze is. Ook ‘men’ vermijd je best zoveel mogelijk. Dit maakt je communicatie zeer onpersoonlijk en wekt weinig energie op bij de toehoorder. Door positieve en krachtige woorden motiveer je medewerkers en stimuleer je actie. Op synoniemen.net vind je vaak betere alternatieven voor je eerste woordkeuze. Het is verstandig om belangrijke toespraken goed uit te schrijven en daarna te zoeken op ‘worden’, ‘men’, ‘zijn’ of ‘gaan’ en die vervangen. Of je tekst door collega’s laten lezen en je communicatie met hun feedback aanpassen. Bij mondelinge communicatie is het een kwestie van aandacht en oefening. Wat daarbij helpt, is niet te snel spreken of eerst goed nadenken voordat je reageert en over wat je wil zeggen. Het is belangrijk om je mening te uiten maar denk na hoe, tegen wie en in welke omstandigheden je dat doet. Leer de impact van je woorden inschatten. Je boodschap met meer mildheid en tact formuleren, komt meestal met de loop der jaren.
“Als je het over kinderen met een andere thuistaal hebt die het Nederlands minder goed beheersen, zeg dan dat ze meertalig zijn”
Ga op zoek naar betekenis
Een verandering brengt emotie teweeg bij medewerkers. Ze gaan daarbij door een rouwcurve. Door het gebruik van groeitaal, kunt je hen helpen om de betekenis van de verandering voor zichzelf te ontdekken. Laat hen nadenken over wat de verandering voor hen inhoudt en hoe deze verandering hun persoonlijke ambities en die van hun leerlingen kan ondersteunen. Het veranderingstraject biedt ook een kans om nieuwe vaardigheden te leren en om als persoon te groeien. Tijdens zo een traject heb je rationele argumenten nodig maar het is vooral de emotie die zal zorgen voor de gewenste gedragsverandering. Je daarbij kwetsbaar opstellen en eerlijk zijn en dit via betekenisvolle communicatie ondersteunen, kan collega’s helpen om zelf ook hun gevoelens te durven delen.
Creativiteit en humor
Een taal gebruiken die mooier en creatiever is, die energie geeft of die poëtisch is. Woorden of zinnen ‘omdenken’, zodat ze beter klinken en meer effect hebben. Zo was er in Duitsland in een woud een mooi bord: ‘Voorbehouden voor reeën’. Er had evengoed ‘verboden toegang’ kunnen staan. Het eerste is verrassend en spreekt ons veel meer aan.
Foto - BSBO De Ontdekker - Oudenaarde
“Kijk eens naar de website van je school en bedenk ideeën om wat humor en creativiteit toe te voegen”
Bedenk ideeënboosters
We hebben soms de neiging om te snel ‘ja maar’ te zeggen als we een nieuw idee aanhoren. We kennen waarschijnlijk allemaal uitspraken zoals ‘dat past niet in het rooster’, ‘dat doen we al’, ‘dat wordt chaos in mijn klas’ of ‘dat mag niet van de inspectie’. Je kunt deze ook omdenken tot quotes die energie en goesting geven om uitgesproken ideeën een kans te geven.
“Maak eens posters met eigen ideeënboosters en hang die op in de leraarskamer en in vergaderlokalen”
Communiceer geweldig
Marshall Rosenberg zegt dat we als mensheid een taalprobleem hebben, omdat we getraind en opgevoed worden in een taal die ons leert om te analyseren en te veroordelen. En die ons wegleidt van onze behoeften. Daarom definieerde hij geweldloze communicatie als een bewustzijn om onze taal te ondersteunen zodat we ons helder en duidelijk kunnen uitdrukken en kunnen luisteren naar wat er echt toe doet. Om dat te illustreren gebruikt hij de metafoor van de giraf en de jakhals. De giraf omdat het een dier is met een groot hart dat goed kan luisteren. Bovendien is het een herbivoor en een van de meest vredevolle dieren. Hij kan door zijn lange nek ook goed het overzicht houden. De giraf zorgt voor verbondenheid en is gevoelsmatig. De jakhals is een roofdier dat resultaatgericht is, oordeelt, vergelijkt en controleert. Hij is zeer rationeel en durft agressie, manipulatie en macht te gebruiken. Rosenberg pleit voor een goede balans tussen de jakhals en de giraf zonder de jakhals voorrang te geven. De giraf kan de jakhals daarentegen helpen om zich op een verbonden manier te uiten waardoor die minder meedogenloos is en meer empathie vertoont. Rosenberg noemt dit geweldloze communicatie: een manier van interactie die het mogelijk maakt op vreedzame wijze informatie uit te wisselen en verschillen te overbruggen, waarbij menselijke waarden en behoeften centraal staan. Deze wijze van communiceren wil taalgebruik stimuleren dat tot wederzijds begrip leidt en woordkeuzes vermijden die mensen kwetst en in hun waarde aantast.
GEBRUIK NIEUWE TAAL
Net als elke andere sector gebruikt het onderwijs nog regelmatig oude taal. In grote secundaire scholen durven directies zeggen ‘we moeten ons korps meekrijgen’. Alsof ze in het leger zitten. Terwijl ‘we zoeken draagvlak bij ons lerarenteam’ veel meer aanspreekt. Klaslokalen kun je omdopen in leerruimtes of leeromgevingen. Vakwerkgroepen kunnen professionele leergemeenschappen worden. Een vergaderlokaal kun je hertalen naar een co-creatieruimte. Discussies worden gesprekken en remediëren zou je kunnen omdopen naar ondersteunen. Het secretariaat worden administratieve medewerkers en directeurs noemen zich schoolleider of coördinator. De ouderraad wordt een kernteam van ouders. De leraarskamer kan uit een ontspanningsruimte en een stilteruimte bestaan. Door de nieuwe benamingen op creatieve manier te visualiseren, zorg je dynamiek en een frisse wind.
“Loop eens door je school en je processen en denk je benamingen om”
De manier waarop je communiceert, helpt je om als school je dromen en doelen te verwezenlijken. Door hier samen aandacht aan te besteden, zorg je voor een positief en motiverend klimaat en werk je aan een ondersteunende schoolcultuur die beweging ondersteunt.
Wil jij ook aan de slag met groeitaal?
Samen met je schoolteam creatief nadenken over het taalgebruik op je school en via een brainstorm concrete ideeën bedenken en visualiseren? Dat kan via een workshop out-of-the-box denken waarbij je samen met collega’s via enkele creativiteitstechnieken concrete ideeën voor je school of klas bedenkt. Contacteer hiervoor Dirk De Boe op 0474/949448 of mail naar dirkdeboe@edunext.be
Van statische visieteksten elke vijf jaar naar een proces van continue dynamische visie-ontwikkeling
Waarom zouden we onze koers slechts om de vijf jaar herijken als de wereld om ons heen dagelijks verandert? Het tijdperk van statische visieteksten maakt plaats voor een dynamisch proces van continue ontwikkeling. Door de visie te zien als een levend gesprek in plaats van een vaststaand document, blijft een schoolteam alert en wendbaar. Ontdek hoe een constante reflectie op de 'waarom-vraag' de motor wordt voor een toekomstbestendige leerorganisatie.
Om de zoveel tijd actualiseren scholen hun visie en dan ligt die voor vijf jaar vast. Om ze na die periode terug onder de loep te leggen. Vijf jaar is in de huidige tijden van snelle veranderingen wel heel lang. In die periode verandert er ontzettend veel. En wellicht zal de verandering in de toekomst nog sneller gaan. Kunnen we het ons nog veroorloven om zo lang te wachten om onze visie te actualiseren? Is het nog van deze tijd om om de zoveel jaar een visie-oefening te doen? Wordt het geen tijd om te evolueren naar continue visie-ontwikkeling?
We onderscheiden in een continu proces van visie-ontwikkeling vijf fases. Deze lopen niet noodzakelijk lineair na elkaar. Ze kunnen ook cyclisch op elkaar ingrijpen.
Voorbereidingsfase
Hierin onderzoek je aan de hand van trends en signalen wat er in de maatschappij en de wereld gebeurt en welke invloed dat heeft op je huidig en toekomstig onderwijs. In welke mate veranderen de noden van leerlingen, ouders, leraren en directies hierdoor? Dit kun je doen via gesprekken met alle betrokkenen (v.b. aan de hand van een aantal vragen), intervieuws met trendwatchres, het volgen van onderwijsblogs, het lezen van onderwijsboeken, het luisteren naar podcasts, gluren in andere sectoren en deelnemen aan professionaliseringen. Het is sterk als teamleden daarbij ook bepaalde rollen opnemen (v.b. onderwijstrendwatcher, pedagogisch-didactische spotter, EF observator …)
“Maak een fysiek moodboard in de leraarskamer met belangrijke trends en artikels of creëer een online moodboard op Miro waar leraren belangrijke info kunnen lezen en delen”
Een volgende stap is om succescriteria (ambities) en belangrijke mijlpalen vast te leggen. Hoe zorg je dat je van statische visie-oefeningen evolueert naar een dynamische manier van visie-ontwikkeling? Het begint bij het nadenken over het waarom van visie-ontwikkeling. Daarbij zul je merken dat er een sterke link is tussen visie-ontwikkeling en het gedrag van leraren. Zodra leraren weten waarom ze iets doen, vergroot de kans dat ze aan de slag gaan met het wat en het hoe. Naarmate dat ze meer betrokken zijn in het proces van visie-ontwikkeling, zal hun mindset en hun gedrag mee veranderen. In deze fase stel je het best ook een actie- en communicatieplan op.
2. Creatiefase
Hierin beschrijf je je toekomstige school. Hoe ziet je school er in 2027 uit? Wat is je ideale school voor leerlingen, leraren, het leren, de school en de ouders? Zo ontstaat er gezond een spanningsveld tussen de huidige situatie en de gewenste toestand. Het is daarbij belangrijk om verder te gaan dan het maken van een visie-tekst en die te vertalen in concrete doelstellingen en pedagogisch leidende principes waar iedereen van het schoolteam achter staat. Lees hier hoe je dat doet en zo je schoolvisie echt tot leven brengt.
“Breng je visie tot leven via proeftuinen, pilootprojecten, leerlabo’s of professionele leergemeenschappen”
Het is belangrijk om te komen tot prototypes waar je specifieke elementen van de visie onderzoekt, uittest, bijstuurt en opnieuw uitprobeert. Zo creëer je specifieke voorbeelden waarin de visie tot leven komt op de klasvloer. Dat geeft energie en maakt de visie tastbaar.
3. Visualisatiefase
Het is zeker oké om de visie vast te leggen in een visiedocument. Daarin kun je bouwstenen en verwachtingsbeelden van de visie verwoorden. Een vlakke tekst is een mogelijkheid, denk ook aan andere mogelijkheden zoals een rubric, een routebeschrijving, een verhaal, een gedicht …
“Steek niet te veel tijd in een perfecte visietekst. Is het goed genoeg voor nu? Ga dan verder en slijp - nadat je van de prototypes hebt geleerd - je tekst bij.”
Bij een visietekst enkele beelden bij plaatsen is zeker oké maar niet voldoende. Denk na over manieren om je visie te visualiseren. Bijvoorbeeld via visual harvesting, een moodboard of een tableau.
Voorbeeld Visual Harvest - Basisschool De Klimop Bonheiden - Axelle Vanquaillie
Het is ook een goede oefening om een passende metafoor te ontwikkelen bij je visie. Op die manier kan iedereen op school de visie veel makkelijker onthouden. Zoals de kip in basisschool De Scharrel of vuur in Tienerschool Vonk! Bij EduNext houden we van de metafoor van de bootreis. We koppelen daar heel wat woorden uit de nautiek aan zoals expeditie, bakens, stuurcabine, navigatiekaart, de kunst van het loodsen, de scheepskist en alle hens aan dek. Je kunt vast zelf met je team een mooie metafoor bedenken. Bij de keuze van een stijlfiguur is het wel belangrijk dat ze over de hele lijn klopt. Anders ondergraaf de visualisatie de kracht van je visie en gaat dat ene negatieve element in de leraarskamer of op een pv misschien wel een eigen leven leiden. Zeker door collega’s die minder geneigd zijn om de nieuwe visie tot leven te brengen.
4. Implementatiefase
Hierbij maak je een operationeel plan (wie, wat, waar, wanneer, waarom, hoe) met de beschrijving van de verschillende activiteiten om de visie tot uitvoering te brengen. Met daarbij ook de planning van deze acties. Het best is om dit meerjarenplan samen met het team te schrijven.
Door prototypes, proeftuinen, professionele leergemeenschappen of leerlabo’s kan het schoolteam experimenten uitvoeren, resultaten evalueren en bijsturen.
“Zo beschik je over mini laboratoria waar je je toekomstige school al in het klein ziet en waar collega’s naar kunnen komen kijken”
Het is wel belangrijk om te zorgen dat deze teams hierbij procesbegeleiding krijgen. Een procescoach of een kerngroep met mandaat voor procescoaching is zeker geen luxe. Zo zorg je dat er uit die experimenten ook een output komt en dat de teams op een gestructureerde wijze resultaten boeken.
5. Borgingsfase
In deze fase veranker je al het voorgaande in de systemen en processen van de school. Ook het maken van afspraken op basis van de opgebouwde expertise is nuttig.
“Zorg dat elke nieuwe leraar zich in de schoolvisie verdiept. Vraag haar of hem wat ze erin zouden toevoegen of aanpassen ”
Dit is ook de fase waarin je geslaagde praktijken opschaalt en uitbreidt zodat ze deel gaan uitmaken van de algemene werking van de school. Of je maakt van een aantal experimenten één samenhangend geheel.
Hulpvragen visieontwikkeling
Om te kijken hoever je al staat op vlak van visie-ontwikkeling hebben we een aantal criteria ontwikkeld waar je een antwoord kan op geven:
• In welke fase van visieontwikkeling zit jullie school? (helemaal nog niet aan bezig, voorbereidende fase, implementatiefase, verduurzamingsfase)
• In welke mate is jullie school in staat om continu trends en signalen uit de externe wereld te capteren als input voor een continu proces van visieontwikkeling?
• In hoeverre slagen jullie erin om jullie visie om te zetten in een nieuw en werkend pedagogisch concept?
• In welke mate slagen jullie erin om jullie visie te laten leven op de klasvloer en is ze zichtbaar tijdens het lesgeven?
• In welke mate gebruiken jullie jullie schoolvisie als leidraad voor dagelijkse acties en als filter om al dan niet voor bepaalde projecten of mogelijke initiatieven te kiezen?
Deze criteria maken deel uit van een rubric die EduNext hiervoor ontwikkelde. Visie-ontwikkeling is immers een van de acht elementen die de cultuur van een school bepalen en is dus uitermate belangrijk bij transformatieprocessen.
met visie-ontwikkeling aan de slag gaan?
Wil je hier graag meer over weten, dan kun je meedoen aan een workshop visie-ontwikkeling. Een traject visie-ontwikkeling in je school is ook mogelijk. Mail naar dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448.