Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs – Elke Emmers, Liesbeth Saenen & Katrien Hermans
Inclusie in het Vlaamse onderwijs wordt vaak herleid tot een zwart-witdebat, maar de werkelijkheid op de klasvloer is vele malen gelaagder. Elke Emmers en haar collega’s bieden met hun 'zeven tinten grijs' een bevrijdend perspectief op de spanningen en kansen die inclusief werken met zich meebrengt. Een scherpe, soms ondeugende analyse die de leerondersteuner en de leraar uitdaagt om voorbij de dogma’s te kijken naar wat werkelijk werkt voor het kind.
Inclusief onderwijs is al jaren een heet hangijzer binnen het Vlaamse onderwijsdebat. Zelden zo beeldend, systematisch én gelaagd beschreven als in Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs. Elke Emmers, Liesbet Saenen en Katrien Hermans weten – op ondeugende wijze - met een combinatie van onderzoek, praktijkervaring en scherpe observaties een rijk beeld te schetsen van de uitdagingen, spanningen en kansen die inclusie met zich meebrengt. Centraal in het boek staat de leerondersteuner voor wie dit boek een doorleefde gids kan zijn vol concrete inzichten over samenwerking, professionele identiteit en het delicate evenwicht tussen idealisme en realiteit.
Een genuanceerde blik
Het is duidelijk dat de schrijvers streven naar nuance. Ze presenteren inclusief onderwijs als een proces van voortdurend afstemmen, communiceren en experimenteren. Ze benadrukken dat alle betrokkenen – leerkrachten, leerondersteuners, ouders en andere professionals – hun eigen expertise en noden inbrengen, zonder dat iemand op de stoel van de waarheid zit. Dit gelijkwaardigheidsprincipe vormt de rode draad doorheen het boek.
tijd te kort
Een belangrijk aandachtspunt dat al vroeg wordt aangehaald, is de structurele tijdsdruk. Zowel leerkrachten als leerondersteuners worstelen met volle agenda’s, uiteenlopende uurroosters en beperkte mogelijkheden tot overleg. Dit creëert praktische en ook relationele uitdagingen.
Context en uitdagingen
Ondanks wettelijke rechten op ondersteuning gaat meer dan 6% van de Vlaamse schoolgaande kinderen in het buitengewoon onderwijs, vaak omdat het reguliere onderwijs onvoldoende middelen of expertise kan bieden. Inclusie, zo stellen de auteurs, is meer dan enkel fysieke aanwezigheid: het vraagt om een transformatief proces waarin schoolcultuur, beleid en praktijk zich aanpassen om iedereen volwaardig te laten deelnemen.
Een belangrijk deel van de analyse gaat over de rol van de leerondersteuner. Deze moet niet alleen kennis hebben van specifieke onderwijsbehoeften, maar ook beschikken over communicatieve vaardigheden, flexibiliteit en een verbindende houding. Tegelijk kampen veel leerondersteuners met onduidelijkheid over hun takenpakket en met verwachtingen die niet altijd realistisch of haalbaar zijn.
Samenwerking voorbij de eilandjes
In plaats van naast elkaar werken, pleiten de auteurs voor echte interprofessionele samenwerking, waarbij disciplines hun grenzen overstijgen en een gemeenschappelijk doel centraal staat. Dit vraagt om gedeelde waarden, reflectie op de eigen professionele identiteit en het opbouwen van netwerkbewustzijn.
Ze erkennen dat teamreflectie, onderling vertrouwen en open communicatie vaak ontbreken en dat veel samenwerkingen in de praktijk gefragmenteerd blijven. Tegelijk bieden ze handvatten om die barrières te doorbreken zoals het expliciet maken van rollen, het verkennen van elkaars kernwaarden en het hanteren van duidelijke prioriteiten in samenwerkingsstrategieën.
De menselijke factor
De schrijvers hebben het over lubricatie van samenwerking: communicatie, coördinatie, evenwichtige bijdragen, cohesie, inzicht en de balans tussen professioneel en persoonlijk succes. Hier laten de auteurs zien hoe kwetsbaar inclusieve samenwerking is als één van deze factoren ontbreekt. Zo kan het ontbreken van informele contactmomenten – bijvoorbeeld in de leraarskamer of wandelgangen – de vertrouwensband ernstig verzwakken. Omgekeerd kan een langdurige en consequente samenwerking leiden tot duurzame partnerschappen.
De cruciale rol van ouders
Het boek schenkt uitgebreid aandacht aan de relatie met ouders. In veel inclusietrajecten worden ouders pas laat betrokken, wat hun positie als volwaardige partner ondermijnt. De auteurs pleiten ervoor ouders vanaf de gouden weken van de ondersteuning te betrekken, hun ervaringsdeskundigheid te erkennen en samen te werken vanuit wat het kind wél kan. Het boek benoemt hierbij ook de gevoeligheden rond labels en het gevaar dat een kind wordt gereduceerd tot zijn beperkingen.
Wat hier opvalt, is het pleidooi voor breed leren: inclusie gaat niet enkel over cognitieve doelen, maar ook over motorische, sociaal-emotionele, artistieke en morele ontwikkeling. Dit bredere perspectief maakt de samenwerking met ouders en andere partners des te relevanter.
Rollen en modellen
Een van de meest praktische hoofdstukken van het boek gaat in op de verschillende rollen die een leerondersteuner kan vervullen, met modellen zoals dat van Van De Putte & De Schauwer en het IIPRAD-model. Van scheidsrechter tot bruggenbouwer en van co-teacher tot reflectieve professional, de auteurs laten zien dat leerondersteuning geen monolithische functie is maar een veelzijdige en contextafhankelijke rol. Deze indeling geeft zowel beginnende als ervaren ondersteuners een kader om hun eigen werk te analyseren en om zich verder te ontwikkelen.
Zeven tinten grijs
Het titelhoofdstuk Zeven tinten grijs, is misschien wel het meest creatieve deel van het boek. Hier gebruiken de auteurs relationele ondeugende metaforen om samenwerkingsvormen te typeren: van de one-night stand (vluchtige ontmoetingen) tot het huwelijk (diepgaande, duurzame samenwerking). Tussenin bevinden zich de affaire, friends with benefits, de pornoset en de latrelatie. Deze metaforen maken op speelse wijze duidelijk dat de kwaliteit van samenwerking sterk varieert en dat niet elke samenwerkingsvorm geschikt is om duurzame inclusie te realiseren.
Reflectie en veranderkracht
In het slotdeel verschuift de focus naar reflectie en de veranderkracht van leerondersteuners. Kritische reflectie wordt voorgesteld als essentieel, niet alleen op het niveau van wat en hoe, maar vooral op het waarom van het handelen. Hier positioneren de auteurs de leerondersteuner als een change agent, iemand die niet alleen bijdraagt aan het huidige inclusieve proces, maar ook actief werkt aan een meer rechtvaardige, inclusieve toekomst.
De schrijvers sluiten af met een realistische boodschap: duurzame samenwerking vraagt meer dan intenties of afspraken op papier. Het vergt voortdurende inzet, onderlinge waardering en de bereidheid om samen te groeien, ook als dat soms via onbekende of oncomfortabele wegen gaat.
Auteurs - Liesbet Saenen - Elke Emmers - Katrien Hermans
Conclusie
Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs is een rijk boek dat theorie, praktijk en persoonlijke reflectie op een natuurlijke manier met elkaar verweeft. Het boek is bijzonder toegankelijk geschreven, de creatieve metaforen, het oog voor relationele dynamiek en de concrete handvatten maken het tot een waardevolle bron voor leerondersteuners, leerkrachten, directies én ouders.
Wat het boek extra sterk maakt, is dat het niet vervalt in zwart-witdenken. De titel is dan ook treffend: de werkelijkheid van inclusief onderwijs bevindt zich meestal in de grijze zone, waar tegenstrijdige belangen, beperkte middelen en menselijke emoties elkaar kruisen. Juist in dat spanningsveld weet het boek richting te geven, zonder te doen alsof er een pasklare oplossing bestaat.
Dit boek is een aanrader voor iedereen die professioneel of persoonlijk betrokken is bij inclusief onderwijs. Het biedt kennis, inspiratie en erkenning voor de dagelijkse realiteit van werken in dit veld. Het laat zien dat inclusie geen eindpunt is, maar een voortdurende reis. Een proces van luisteren, verbinden, reflecteren en bijsturen.
Inclusief onderwijs in zeven tinten grijs geeft je de taal, de inzichten en de motivatie om het pad van inclusie met meer bewustzijn en veerkracht te bewandelen. Het boek is uitgegeven bij Academic Scientific Publishers (nu Owl Press).
Boekrecensie: Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen - Beno Schraepen
Beno Schraepen confronteert ons in 'Excluses' met de pijnlijke gevolgen van uitsluiting in ons onderwijssysteem en de bredere samenleving. Voorbij de goede bedoelingen legt hij bloot hoe onze structuren onbewust mensen aan de kant schuiven. Dit boek is een noodzakelijke spiegel voor iedereen die werkzaam is in het onderwijs. Hoe medeplichtig zijn wij aan de uitsluiting van degenen die 'anders' zijn? Een krachtig pleidooi om radicale inclusie niet als luxe, maar als noodzaak te omarmen.
In zijn confronterend boek Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen legt Beno Schraepen, orthopedagoog, ervaringsdeskundige in het buitengewoon onderwijs en docent/onderzoeker aan de AP Hogeschool, het mechanisme van sociale uitsluiting en segregatie in onze samenleving bloot. Hij legt de vinger op de wonde van onze maatschappelijke structuren en toont de urgentie en noodzaak van een inclusieve samenleving waarin alle burgers - ongeacht hun beperkingen - volwaardig kunnen deelnemen. Het resultaat is een werkstuk dat uitnodigt tot reflectie en actie.
Cover van het boek en de achterflap - Owl Press
Thema’s en kernboodschap
De auteur opent met de stelling dat uitsluiting in ons DNA zit. Dit is een ongemakkelijke waarheid, zeker als hij je uitnodigt om zelf een antwoord te geven op enkele prikkelende vragen:
- Hoe vaak ga je op stap met iemand in een rolstoel?
- Hoe natuurlijk gedraag jij je tegenover mensen met een beperking?
- Heb jij mensen met een beperking in je vriendenkring (als ze geen familie zijn)?
Deze alledaagse situaties ontmaskeren een samenleving waarin mensen met een beperking steevast achteraan in de rij staan of zelfs onzichtbaar blijven. De kern van zijn betoog is dat uitsluiting niet zomaar een sociaal ongemak is maar een fundamentele breuk in de relaties tussen mensen en de samenleving.
Volgens de auteur is segregatie een vorm van discriminatie. Hij stelt dat speciale voorzieningen zoals aparte scholen en instellingen - vaak goedbedoeld - juist bijdragen aan een structurele uitsluiting. Mensen met een beperking worden niet als volwaardige burgers gezien, maar als ‘anderen’ waarvoor aparte omgevingen noodzakelijk zijn. Dit schept fysieke, psychologische en symbolische muren.
Kritiek op segregatie in onderwijs en zorg
Onderwijs is in Vlaanderen de motor van segregatie. Met meer dan 4% van de leerlingen in het buitengewoon onderwijs – een cijfer dat ver boven het Europese gemiddelde ligt – hebben we een van de meest gesegregeerde onderwijssystemen. Beno Schraepen legt uit hoe dit systeem systematisch kansen ontneemt en kinderen stigmatiseert.
Hij wijst erop dat deze segregatie niet alleen de kinderen zelf treft, maar ook de bredere maatschappij. Omgekeerd biedt inclusief onderwijs voordelen voor kinderen met een beperking én voor hun klasgenoten zonder beperking. Het creëert een cultuur van wederzijds begrip en respect die de basis vormt voor een inclusieve samenleving. Toch blijft het Vlaamse beleid volgens hem hangen in excuses en “ja maar”-redeneringen:
- ja, maar we hebben de draagkracht niet
- Ja, maar het is beter voor hen in het buitengewoon
- Ja, maar we hebben er geen middelen voor.
De schrijver ontkracht deze excuses systematisch en roept op tot politieke moed en gedragsverandering.
Het VN-Verdrag en het recht op inclusie
Het recht op inclusie is een fundamenteel mensenrecht, verankerd in het VN-Verdrag inzake de rechten van personen met een handicap. De auteur legt helder uit hoe het verdrag uitgaat van een dynamische visie op handicap: niet de beperking zelf, maar de belemmeringen in de omgeving maken dat iemand gehandicapt is. Redelijke aanpassingen – zowel materieel (zoals een traplift of brailleleesregel) als immaterieel (zoals aangepaste lestijden of alternatieve evaluatievormen) zijn cruciaal om deze barrières weg te nemen. Deze redelijke aanpassingen worden nog te vaak onvoldoende of helemaal niet doorgevoerd, waardoor het VN-Verdrag in de praktijk dode letter blijft, zeker in Vlaanderen. De politiek hanteert nog steeds een dubbelzinnig discours: inclusie waar het kan, apart als het moet. Maar het mag niet de meerderheid zijn die beslist of en wanneer inclusie moet. Het is de minderheidsgroep, de mensen met een beperking zelf, die mee moeten kunnen bepalen wat nodig is voor hun deelname aan de samenleving.
“Met ongeveer 15% van de wereldbevolking zijn personen met een handicap de grootste minderheidsgroep.”
De kracht van taal en beeldvorming
Een ander krachtig aspect van het boek is hoe we spreken over mensen met een beperking: de gehandicapte versus een persoon met een handicap. Het is een wereld van verschil. Door mensen niet te reduceren tot hun beperking, tonen we respect voor hun volledige identiteit. We hebben taal nodig die de mens centraal stelt en uitgaat van verschillen als iets fundamenteel menselijks, in plaats van als afwijking van de norm. Labels en diagnoses hebben daarbij een dubbelzinnig effect: ze openen deuren naar noodzakelijke ondersteuning en dragen tegelijk bij aan stereotypering en stigmatisering. Dit labelingsmechanisme grijpt diep in op de identiteitsontwikkeling van mensen met een beperking.
Van integratie naar inclusie
Waar integratie uitgaat van de noodzaak om aan te passen aan de bestaande normen van de samenleving, staat inclusie voor een intrinsieke rijkdom aan diversiteit. Inclusie vraagt tevens om een fundamentele hertekening van onze structuren en relaties, en dat vereist verandering op alle niveaus: van het onderwijs en de arbeidsmarkt tot de sociale omgangsvormen in alledaagse situaties.
De auteur wijst erop dat integratiebeleid momenteel vaak neerkomt op vrijblijvende tolerantie. Zolang mensen met een beperking zich aanpassen aan de regels van de meerderheid, mogen ze erbij horen. Maar als het niet lukt, is het zogenaamd hun eigen verantwoordelijkheid. Inclusie daarentegen vraagt om een diepgaande transformatie waarin urgentie, visie, consensus, middelen en vaardigheden onmisbaar zijn.
Praktijkvoorbeelden en toekomstperspectief
Een van de sterke kanten van Excluses is dat de auteur zijn betoog illustreert met talrijke voorbeelden uit de praktijk – van scholen die wel succesvol inclusief werken tot internationale onderzoeken die aantonen dat inclusief onderwijs niet alleen mogelijk is, maar ook beter werkt. Zo blijkt uit een Amerikaanse studie onder 11.000 leerlingen dat kinderen met beperkingen in een inclusief onderwijssysteem later in het leven betere kansen hebben op werk en zelfstandigheid. En dat dit geen negatieve effecten heeft op andere leerlingen, integendeel. Daarnaast komt William Boeva, stand-up comedian met een beperking, in het boek regelmatig aan het woord en vertelt hij wat exclusie met hem als persoon gedaan heeft.
Auteur Beno Schraepen - foto: Kristof Ghyselinck
Kritische noot en hoopvolle toon
Wat dit boek bijzonder maakt, is dat het ondanks de scherpe kritiek op het huidige beleid een hoopvolle toon behoudt. De auteur gelooft in de kracht van verbeelding en in de mogelijkheid tot verandering. Hij benadrukt dat verandering niet altijd begint bij wetten of structuren, maar bij de bereidheid van mensen om anders te kijken en te handelen. Daarbij is het essentieel dat we het anders-zijn van de ander niet zien als een tekort, maar als een gelijkwaardig verschil dat ons allemaal rijker maakt. Er is echter nog veel werk, zowel aan de systemen als aan de mensen zelf. Ouders, leerkrachten en hulpverleners voelen zich nog vaak handelingsverlegen of overbelast. Nu ligt juist daarin de kiem van verandering. In het doorbreken van angst en het erkennen van diversiteit als een bron van mogelijkheden. Het vergt creativiteit maar waar een wil is, is vaak ook een weg.
Conclusie
Excluses – Wat uitsluiting doet met mensen houdt ons een spiegel voor en zet aan tot zelfreflectie. Het boek verdient een breed lezerspubliek: van beleidsmakers en leraren tot hulpverleners, ouders en eigenlijk iedereen die gelooft dat een samenleving pas echt menselijk is als we iedereen insluiten. Het boek is een inspirerend manifest voor een samenleving waarin we verschillen koesteren. Een aanrader voor iedereen die gelooft in de kracht van inclusie en voor hen die zich daar vragen bij stellen. Het boek is uitgegeven bij Owl press.
EduNext en inclusie
De titel van het boek had ook Incluses, wat insluiting doet met mensen kunnen heten. Zoals uit eerdere blogs bleek, verdiept EduNext zich regelmatig in dit thema. Het EduNext transformatierad is een uitdagend denkmodel om na te denken over inclusie, om concrete acties te formuleren voor elk van de elementen en om er één coherent geheel van te maken. We gebruikten het al verschillende keren tijdens workshops met leersteuncentra. Leerondersteuners worden - zoals ook in het boek vermeld - bijna elke dag geconfrontreerd met de vraag: ‘hoe krijgen we leraren en directies mee?’. Scholen kunnen het ook zelf gebruiken om stappen te zetten naar inclusie en om leerlingen met en zonder beperking stap per stap meer eigenaarschap over hun leerproces te geven en hen daarbij zelf keuzes te laten maken. Meer info of een vrijblijvend intakegesprek? => contact@edunext.be
Diversiteit op school: hoe zorgen we ervoor dat elke leerling zich thuis voelt en slaagt?
Diversiteit is geen uitdaging die we moeten 'oplossen', maar een realiteit die ons dwingt onze eigen blinde vlekken onder ogen te zien. Hoe creëren we een schoolklimaat waarin elke leerling, ongeacht achtergrond, zich werkelijk herkend en gewaardeerd voelt? Dit artikel verkent de weg naar inclusie via culturele responsiviteit en hoge verwachtingen voor iedereen. Het gaat niet om het vieren van verschillen, maar om het slopen van de barrières die succes in de weg staan.
Diversiteit is alomtegenwoordig in onze Vlaamse scholen. Dat zorgt voor hevige debatten in de leraarskamer en in de media. Moeten we vasthouden aan één norm of net alle verschillen omarmen? Het recente ECDIS-project van de KU Leuven (Etnisch Culturele Diversiteit in Scholen) brengt via een grootschalig onderzoek bij duizenden leerlingen in Vlaamse basisscholen wetenschappelijk onderbouwde antwoorden op deze cruciale vragen. De resultaten zijn duidelijk: de manier waarop scholen omgaan met diversiteit heeft een enorme impact op hoe leerlingen zich voelen op school en op hun prestaties.
Afbeelding Erin Gordon - Drawify
3 manieren waarop scholen diversiteit benaderen
Assimilatie: hierbij is het idee dat leerlingen met een migratieachtergrond zich moeten aanpassen aan de Vlaamse cultuur en hun eigen taal en gewoonten best achterwege laten op school. Verschillen worden gezien als tekorten die weggewerkt moet worden.
Kleurenblindheid: deze benadering wil etnische verschillen negeren of minder belangrijk maken. De focus ligt op neutraliteit of het benadrukken dat we "allemaal mensen" zijn.
Pluralisme: deze visie ziet diversiteit als een meerwaarde en wil deze actief inzetten en omarmen.
Deze drie benaderingen hebben hetzelfde doel: alle leerlingen optimaal laten presteren. Maar wat is nu het effect van elke benadering?
Assimilatie ONDERMIJNT SCHOOLPrestaties
De resultaten van het ECDIS-project en de enquêtes tonen aan dat leerlingen zich naarmate ze meer assimilatie waarnemen op school significant mínder thuis voelen, ongeacht het domein (van taalverbod tot niet-erkenning van niet-christelijke religie). Zich minder thuis voelen, vertaalt zich steevast in lagere wiskundeprestaties. Als een leraar het bijvoorbeeld niet goed vindt als leerlingen trots zijn op hun niet-Vlaamse roots, dan heeft dat een rechtstreeks negatief effect op hun prestaties. Cruciaal is dat deze negatieve effecten gelden voor alle leerlingen (de effecten zijn wel sterker voor leerlingen met een migratieachtergrond). Tijdens focusgroepen met leerlingen, hebben deze laatste kritiek op assimilatie (inclusief het hoofddoekenverbod) omdat ze vinden dat ze daardoor niet kunnen tonen wie ze écht zijn en zich dus niet echt thuis kunnen voelen. Zich thuis voelen kan pas als je geaccepteerd wordt om wie je bent. Ook leerlingen zonder migratieachtergrond zijn tegen assimilatie. Ze vinden het belangrijk te kunnen leren over andere culturen. In bijna elke focusgroep vinden leerlingen een assimilatiebeleid discriminerend omdat leerlingen met een migratieachtergrond minder mogen dan andere leerlingen (zoals trots zijn op hun cultuur of hun moedertaal spreken). Gelijke behandeling is voor hen essentieel. De conclusie is duidelijk: regels zoals 'enkel Nederlands' op school zijn geen goed idee. Ook het hoofddoekenverbod heeft negatieve associaties met het zich thuis voelen en met prestaties voor alle leerlingen, wellicht omdat leerlingen het zien als discriminerend en een belemmering om zichzelf te zijn.
Kleurenblindheid: goede intenties …
De bevindingen over kleurenblinde praktijken zijn minder eenduidig. Over het algemeen hebben praktijken waarbij diversiteit volledig genegeerd wordt, zoals een laissez-faire taalbeleid (geen regels) of een verbod op alle religieuze tekens omwille van neutraliteit negatieve gevolgen voor het zich thuis voelen. De enige positieve associatie met kleurenblindheid is wanneer scholen verschillen minder belangrijk maken door te benadrukken dat we allemaal mensen zijn. Leerlingen vinden dat kleurenblinde scholen wel een gelijke behandeling nastreven - wat ze waarderen – maar vinden het jammer dat ze nog steeds niet trots mogen zijn op hun etniciteit of kunnen leren over elkaars culturen.
Pluralisme: groeikansen voor iedereen!
De onderzoekers vinden eenduidig positieve effecten voor alle pluralistische praktijken. Leerlingen die meer pluralisme ervaren op school, voelen zich meer thuis. En dit sterkere gevoel van zich thuis voelen, hangt op zijn beurt samen met betere prestaties op de wiskundetoets. Voorbeelden van effectieve pluralistische praktijken zijn:
• Het inzetten van de thuistaal van leerlingen als hulpbron om te leren
• Het bespreken dat alle culturen waardevol zijn
• Het voorzien van lesmateriaal met gelijke representatie van mensen uit diverse culturen
Sommige pluralistische praktijken zijn nog effectiever voor zowel zich thuis voelen als voor prestaties:
• Een anti-discriminatiecurriculum: discriminatie bespreekbaar maken in de les
• Het bespreken van het Belgische koloniale verleden op school
• Inclusief multiculturalisme: benadrukken dat alle etnische identiteiten positief gewaardeerd worden, inclusief de Vlaamse
Deze effecten gelden opnieuw voor leerlingen met een migratieachtergrond, en bevorderen in dezelfde mate ook het zich thuis voelen en de prestaties van leerlingen zonder migratieachtergrond. Iedereen wordt beter van het erkennen en omarmen van etnisch-culturele diversiteit. Leerlingen vinden het belangrijk dat hun identiteit positief gewaardeerd wordt en dat ze trots kunnen zijn op hun herkomst. Ze zien het leren over de culturen van klasgenoten als een meerwaarde. Ze hebben ook een sterke behoefte om discriminatie bespreekbaar te maken op school. Ze willen een kritische vorm van pluralisme die ongelijkheid aanpakt. Door leerlingen actief te betrekken bij het oplossen van problemen zoals ongelijke behandeling, voelen ze zich serieus genomen en competent. Dit grootschalige onderzoek toont aan dat het waarderen van diversiteit essentieel is voor het welzijn en de schoolresultaten van alle leerlingen in Vlaanderen. Assimilatie schaadt, kleurenblindheid is wisselend effectief, pluralisme biedt aantoonbare groeikansen voor iedereen.
Concreet aan de slag
Scholen en leraren kunnen dit concretiseren door:
• Ruimte te maken voor de thuistalen van leerlingen (bijvoorbeeld door ze in te zetten als hulpbron) en diverse religieuze expressies.
• Meer algemeen aandacht te besteden aan diversiteit in het curriculum op een diepgaande manier.
• Leerlingen het gevoel te geven dat ze trots mogen zijn op hun etnische identiteiten.
• Zeker de meest effectieve praktijken te implementeren: het bespreekbaar maken van discriminatie en het kritisch bespreken van het Belgische koloniale verleden.
Conclusie onderzoek
Dit onderzoek is een oproep om etnisch-culturele verschillen te erkennen en aan te boren als een hulpbron om tot welzijn en leren te komen. Een doordacht pluralistisch diversiteitsbeleid kan zo een krachtige hefboom zijn om de algehele kwaliteit van het onderwijs te verbeteren en ervoor te zorgen dat alle leerlingen zich optimaal thuis voelen en presteren. Op die manier zorgen we voor echt inclusieve scholen. Samenvattend wijst het onderzoek sterk in de richting van een schoolorganisatie, leeromgeving en curriculum die diversiteit omarmen en waarderen. Dit omvat het kritisch bespreken van ongelijkheid en het verleden, en het creëren van een omgeving waarin leerlingen geaccepteerd worden voor wie ze zijn en trots kunnen zijn op hun identiteit. Deze benadering is gunstig voor alle leerlingen.
Bron: ECDIS-project van de KU Leuven (Etnisch Culturele Diversiteit in Scholen) - Konings & De Leersnyder
Systemische aanpak via het transformatierad
Om effectief en versterkend in te zetten op diversiteit kun je inzetten op meerdere wielen van het transformatierad:
EduNext transformatierad
Aan de slag met inclusie?
EduNext heeft zich de voorbije jaren gespecialiseerd in het thema inclusie. Wil je hierover in gesprek gaan? Geef een seintje aan dirkdeboe@edunext.be of bel Dirk op 0474/949448
Schenk aandacht aan meerdere kanten van het zorgspectrum!
Zorg op school wordt vaak gereduceerd tot het helpen van leerlingen die onder de lat blijven, maar wat met degenen die er moeiteloos bovenuit stijgen of die sociaal-emotioneel buiten de boot vallen? Een werkelijk inclusieve school schenkt aandacht aan alle kanten van het spectrum. Dit artikel daagt ons uit om breed te kijken en zorg niet langer als een apart eilandje te zien, maar als een integraal onderdeel van de pedagogische basiswerking. Hoe creëren we een vangnet dat niemand uitsluit?
Sommige scholen hebben de neiging om hun zorgbeleid af te stemmen op de minder begaafden en daar hun meeste zorguren aan te besteden. Dat kan in een aantal gevallen zeer terecht zijn. Maar hoeft dat altijd zo te zijn?
DE meestE zorg NAAR de minder begaafden
Geïnspireerd door Hans Van de Moortel (De Wijnberg Wevelgem)
Terwijl het ook zou kunnen dat er leerlingen langs de linkerkant van de Gausscurve zitten omwille van factoren die minder te maken hebben met hun begaafdheid:
Kinderen uit een sociaal uitdagende context
Meertalige kinderen
Onderbrekingen in de schoolloopbaan
Anderzijds zitten er wellicht ook leerlingen aan de rechterkant van de Gausscurve met:
Gedrag dat hun begaafdheid camoufleert
Nog niet gedetecteerde hoogbegaafdheid
Daardoor krijgen die leerlingen niet de ondersteuning en uitdagingen die ze nodig hebben.
Omgekeerde ZORGGausscurve?
Je zou je zorguren ook anders kunnen verdelen. Meer zorguren voor de minder begaafden en meer zorguren voor de hoogbegaafden.
Geïnspireerd door Hans Van de Moortel (De Wijnberg Wevelgem)
Creëer je eigen zorgcurve
Misschien goed om samen met je beleidsteam en schoolteam eens na te denken over hoe de zorgcurve er op jouw school uit zou kunnen zien en volgende vragen te beantwoorden:
Welke informatie verzamelen we over leerlingen om te weten waar zij zich nu bevinden?
Hoe kunnen we beter observeren wat de mogelijkheden van leerlingen zijn en waar zij zich in de toekomst zouden kunnen bevinden?
Hoe kunnen we ons onderwijs anders organiseren zodanig dat de zorguren op de juiste plaats terechtkomen?
Meer dan IQ!
In bovenstaande afbeeldingen (en ook vaak in literatuur) ligt de focus vaak op het intelligentiequotiënt. Dat is één kant van het verhaal. We kennen allemaal hoogbegaafde leerlingen die sociaal moeilijk contacten leggen. En we kennen ook cognitief minder begaafde leerlingen die zich enorm kunnen inleven in andere mensen. Misschien goed om te bekijken hoe de curves voor onze leerlingen verlopen op vlak van:
IQ: intelligentiequotiënt
EQ: emotioneel intelligentiequotiënt
SQ: sociaal intelligentiequotiënt
Veel kans dat die drie curves niet op elkaar liggen.
Vragen?
We gaan graag met jou in gesprek over hoe je je organisatie kunt aanpassen om tot een betere zorgbesteding te komen. Bel Dirk De Boe op 0474/949448 of mail naar dirkdeboe@edunext.be
EduNext organiseerde een onderwijscafé over inclusief onderwijs met als gastspreker Beno Schraepen
Inclusief onderwijs wordt vaak beschreven als een technisch probleem, maar Beno Schraepen herinnert ons eraan dat het in essentie een maatschappelijk engagement is. Tijdens het EduNext onderwijscafé werd pijnlijk duidelijk hoe diep uitsluitingsmechanismen in onze schoolstructuren verankerd zitten. Hoe breken we de muren af die we zelf hebben opgetrokken? Een verslag van een indringend gesprek over de moed die nodig is om de school voor werkelijk iedereen open te stellen.
Als startschot voor onze leergemeenschap basisonderwijs, organiseerden we op 17 oktober een onderwijscafé over inclusief onderwijs. We mochten daarbij Beno Schraepen, othopedagoog, ervaringsdeskundige in het buitengewoon onderwijs en docent/onderzoeker aan de AP Hogeschool, als gast verwelkomen.
Beno lichtte eerst de 8 krachtlijnen van de commissie inclusief onderwijs in detail toe toe. Deze zijn prioritair en noodzakelijk om te kunnen evolueren naar één inclusief onderwijssysteem:
1. Een inclusieve schoolcultuur en schoolorganisatie realiseren in elke school 2. Evolueren van scholen voor gewoon en buitengewoon onderwijs naar scholen voor iedereen
3. Voldoende, gepaste en nabije ondersteuning voorzien in elke school
4. Professionaliseren van alle betrokken professionals in functie van inclusief onderwijs
5. Structureel partnerschap uitbouwen tussen onderwijs en welzijn
6. Bepalen van ondersteuningsnoden door middel van een onafhankelijk en beleidsdomeinoverschrijdend assessment
7. Doeltreffende financiering voorzien voor alle scholen
8. Realiseren van een inclusieve en toegankelijke infrastructuur in elke school
Het volledige rapport vind je hier: https://lnkd.in/e3g7SE3D
We gingen daarna met volgende stellingen aan de slag:
👉 Op onze school zijn wij overtuigd dat elk kind welkom is om bij ons te komen leren
👉 In onze school wordt iedereen meegenomen in de strijd tegen discriminatie
👉 De leeractiviteiten op onze school zijn zodanig ingericht dat we niet vertrekken vanuit het gemiddelde kind
👉 Op onze school is er een sterk partnerschap tussen alle collega’s, leerlingen, externe ondersteuning en ouders
👉 Op onze school gaan leerlingen en leraren respectvol met de aanwezige en de niet-aanwezige diversiteit
En we bogen ons over volgende uitdagende vragen:
⁉️ Op onze school gaan leerlingen en leraren respectvol om met de aanwezige en de niet-aanwezige diversiteit
⁉️ Hoe zorgen we voor een mentaliteitswijziging bij alle betrokkenen?
⁉️ Wat zijn kwaliteitscriteria voor een sterke externe ondersteuning?
⁉️ Hoe zorgen we voor een geprofessionaliseerd team om inclusie te realiseren?
⁉️ Hoe kunnen we de obstakels wat betreft leeromgeving en infrastructuur van onze scholen wegwerken?
Dit zorgde voor levendige en boeiende onderwijsgesprekken. Evelien vatte de avond samen in onderstaande visual.
Visual Evelien Moens
Vijftien lessen die kleurrijke basisscholen ons leren – Cordula Rooijendijk
Cordula Rooijendijk deelt vijftien indringende lessen van zogenaamde 'kleurrijke' basisscholen, waar diversiteit geen beleidsterm is maar de rauwe dagelijkse realiteit. Deze scholen fungeren als voorhoede in de zoektocht naar inclusie en kansengelijkheid. Wat kunnen wij leren van hun veerkracht en hun vermogen om verbinding te maken in een versnipperde samenleving? Een confronterende en hoopvolle blik op de kracht van onderwijs als motor voor sociale samenhang en emancipatie.
Cordula Rooijendijk, directeur van Montessori school De Amstel in Amsterdam, ging op bezoek bij tientallen gekleurde Nederlandse basisscholen. Zoals wellicht velen onder ons had ze initieel heel wat vooroordelen over deze scholen en over wat er allemaal fout loopt. Maar ze is positief verrast teruggekeerd en onder de indruk over hoe deze scholen hun grote uitdagingen aanpakken en zorgen voor een onderwijskwaliteit die ze niet voor mogelijk had gehouden. Ze vatte haar bezoeken in haar boek samen in vijftien lessen waarvan we er in deze recensie enkele uitlichten.
Boek uitgegeven bij atlas contact
De leergierigste leerlingen vind je op zwarte scholen
Op scholen in witte achterstandswijken is het soms de norm dat het leven niks is en ook niks zal worden. Ouders die werkloos zijn, zoals ook hun ouders dat waren, hebben lage verwachtingen van hun kinderen en stimuleren hen weinig om te leren en te werken. Daarnaast zijn er ouders uit de gegoede middenklasse die hun kinderen ‘vergeten’ op te voeden, geen duidelijke regels en grenzen stellen, en hen niet leren hoe ze zich moeten gedragen. Doordat ze hun verantwoordelijkheid niet nemen, ontnemen ze hun kinderen heel wat ontwikkelingskansen.
Op verschillende zwarte scholen daarentegen zag de auteur een tomeloze leergierigheid. De mindset is daar dat als je iets wil bereiken, je ervoor moet werken. Ouders van de leerlingen daar verwachten die ingesteldheid van hun kinderen en wensen dat ze het beter krijgen dan zijzelf.
Omarm de straat- en thuiscultuur
Cordula Rooijendijk citeert socioloog Iliass el Hadioui die drie ladders onderscheidt:
- De ladder van thuis
- De ladder van straat of van de peergroup
- De ladder van school
Die drie ladders verschillen van elkaar, de sociale codes en omgangsvormen zijn anders. Succesvolle jongeren lukt het om te switchen tussen die ladders en alle drie de ladders te beklimmen. Hoe sterker die ladders verschillen, hoe lastiger je het hebt als kind. Zodra de schoolladder sterk afwijkt van je vriendengroep op straat en/of thuis, kan dat je immers onzeker maken. Daarom is persoonsvorming van essentieel belang naast het geloof in eigen kunnen. De scholen die de auteur bezocht ontwikkelen een sterke band met hun kinderen. Ze leren dat het klimmen op de schoolladder hun identiteit niet hoeft te schaden en geven ze geen straffen die hun eigenwaarde of zelfvertrouwen breken. Ze doen juist een beroep op hun schuldgevoel zodat ze hun gedrag uit zichzelf veranderen. En daarbij accepteren ze de straat- en thuiscultuur als te beklimmen ladders die net zo belangrijk zijn.
“Omarm de thuiscultuur, zorg dat de kinderen er wat van kunnen laten zien in de klas. Aan anderen laten zien waar je vandaan komt, elkaar vertellen over de normen en waarden die je meekreeg en die van elkaar accepteren, is belangrijk voor de persoonsvorming van een kind”
De schrijfster verwijst naar Hans Kaldenbach die aangeeft dat je het gedrag via 2 methodes kunt veranderen: zacht (judo) of hard (karate) waarbij je meestal eerst met judo begint. Daarbij zijn er twee belangrijke uitgangspunten:
- Duidelijkheid: benoemen welk gedrag onwenselijk is en wat je niet meer wilt zien
- Vriendelijkheid en een band hebben met de kinderen: hen het gevoel geven dat je van ze houdt en dat ze ertoe doen
Hangjongeren urineren in het portiek van een vrouw. Terwijl ze de post uit de brievenbus haalt, spreekt ze een van de jongeren aan en zeg dat ze blij is om hem te zien. Ze zegt hem dat ze hem af en toe een sigaret ziet roken in het portiek en dat dit prima is maar dat er de laatste tijd ook veel wordt geplast en of hij, als hij de jongens ziet die dat doen, wil zeggen dat ze daarmee moeten stoppen. Omdat het niet zo fris is, omdat ze bang is dat andere buren de politie zullen bellen. De jongen knikt en het werkt, de overlast verdwijnt – voorbeeld uit het boek
Praat met elkaar
Scholen hebben de wettelijke opdracht om burgerschap te bevorderen, maar hebben veel ruimte om hier zelf invulling aan te geven. Dit op een manier die past bij de visie en de identiteit van de school, de kenmerken van de leerlingenpopulatie en de maatschappelijke omgeving waarin de school fungeert. Verschillende gekleurde scholen voeren open gesprekken met ouders over de invulling en de betekenis van de burgerschapslessen. Op die manier kan de angst die soms leeft bij ouders worden weggenomen. Als diversiteit wringt, dan praten ze met elkaar en proberen ze de ander te begrijpen. Zorg er daarom voor dat je als school aandacht besteedt aan alle elementen van diversiteit. Je kunt niet paarse vrijdag vieren en vervolgens geen aandacht besteden aan de ramadan, Keti Koti, Pesach, Divali of Pasen.
Voorzie in een multifunctionele stilteruimte waar je mag mediteren, je yogamat leggen, bidden, mijmeren of even prikkelvrij zijn.
Hoge ouderbetrokkenheid vind je op zwarte scholen
Tijdens haar bezoeken, zag de auteur dat gekleurde scholen sterk inzetten op ouderbetrokkenheid. Maar daar moet je wel de juiste dingen voor doen. Een van de scholen heeft een ouderconsulent, een leraar die een paar uur per week is vrijgeroosterd. Ze weet welke ouders het lastig hebben, vraagt hoe het gaat, of ze nog wat kan doen. Ze leert ouders hoe educatieve spellen werken en geeft ze mee naar huis met de opdracht een spel te spelen met hun kind en dat te filmen. En daarna wil ze graag het filmpje zien. Ze spreekt ouders aan als er een open ochtend is en moedigt hen aan naar de koffie- en koekochtenden te komen. Ze helpt ouders om zich in te schrijven voor de schoolapp zodat ze ook alle schoolberichten ontvangen, en vraagt of ze deze hebben gelezen of vertaalt waar nodig.
Een andere van de scholen die ze bezocht, laat ouders een intentieverklaring tekenen bij inschrijving. Daarin staat dat ouders de verschillen tussen kinderen accepteren, geloven in de ontwikkeling van hun kind, interesse tonen in de schoolactiviteiten en hierbij helpen. Ook dat ze leraren informeren over de talenten van hun kind en hun kind ondersteunen bij het schoolwerk. Omgekeerd staat erin dat de school de ouders betrekt, de ouder erkent als professional, in kansen denkt en ouderbijeenkomsten organiseert.
Een school had zelfs een vaderochtend waarbij 90% van de vaders aanwezig was! Vaders willen heel graag betrokken worden bij de school van hun kind, alleen weten ze vaak niet hoe, en dan blijven ze maar weg. Je moet ze daarbij helpen. Vaders zijn een belangrijke spil bij de opvoeding en de scholing van hun kind en zijn op school ook nodig.
In een andere school is een leeg klaslokaal ingericht. Opa’s en oma’s geven jeu-de-boule- en schilderlessen, iemand anders geeft kookles of ouders lezen individueel een boekje met een leerling op de gang. De leraren maken boekjes voor thuis met daarin de woorden die ze op dat moment op school behandelen, met elk te leren woord ook een afbeelding ervan en altijd met het bijbehorende voorzetsel. Thuis laten ouders hun kind het woord hardop lezen en praten ze erover in hun eigen taal. Als ze dat niet doen, dan nodigt de leraar hen uit voor een gesprek om te kijken waarom het niet lukt en wat ze nodig hebben om het wel te doen. Alle ouders doen uiteindelijk mee. Dan schieten de resultaten omhoog en breiden de leerlingen hun Nederlandse woordenschat in snel tempo uit. Het mogen gebruiken van de moedertaal stimuleert de ontwikkeling van kinderen op school enorm.
Voed je kind op
Een leraar heeft in zwarte scholen twee banen: leraar en maatschappelijk werker. Je kunt wel doen alsof het jouw taak niet is om thuisproblemen op te lossen, maar thuis heeft nu eenmaal een grote invloed op de schoolprestaties. Dus als het thuis niet goed gaat, komt een kind helemaal niet tot ontwikkeling. Als kinderen bijvoorbeeld stress hebben, dan zet dat de ontwikkeling van het werkgeheugen, de besluitvorming en de impulsregulatie onder druk. Je werkgeheugen heb je als leerling nodig om tijdelijke informatie in je geheugen op te slaan en om cognitieve taken uit te voeren. Je hebt het nodig bij het maken van een puzzel, het uitrekenen van een rekensom, het schrijven van een stukje tekst of bij het uitvoeren van een gymopdracht.
Niet lullen maar poetsen
De onderwijsinspectie heeft laten weten niet te zullen optreden als scholen vanwege het lerarentekort overgaan op een vierdaagse schoolweek (en de leraren de vijfde dag laat professionaliseren). Er mag soms meer dan je denkt. Je moet de ruimte binnen de regels leren zoeken, ze wat oprekken en daar geen ruchtbaarheid aan geven. Buiten de gebaande paden denken, creatieve oplossingen vinden, het mag af en toe schuren.
“Zolang je onderwijskwaliteit op orde is, gaan we niet na of jouw schoolorganisatie wel precies aan de voorschriften voldoet ”
In basisschool Nellestein komen timmermannen, rappers, dichters, kunstenaars, sporters, koks, dansers op school kinderen cursussen geven. De leerlingen mogen zelf een workshop kiezen. In een andere school worden de gymlessen twee keer per week aan een halve klas gegeven terwijl de andere helft van de leerlingen bij de leraar blijft en extra lessen krijgt in dingen waar ze nog moeite mee hebben. Ze huren ook andere professionals in om op meer momenten de klassen te kunnen halveren waardoor de andere helft steeds heel intensief leskrijgt van de eigen leraar. Zo is er een docent beeldende vorming, een student pedagogiek, een bibliothecaresse die gewend is om kinderactiviteiten in de bib te organiseren en met de leerlingen leest en een gepensioneerde dame die met de kinderen kookt.
Vorm een visie, bepaal je doelen en handel ernaar
Een van de scholen die de schrijfster bezocht, zet heel hard in op gelijkheid tussen kinderen. Dat doen ze op verschillende manieren:
- Ze laten jarige kinderen op school niet trakteren op iets lekkers maar laten de kinderen die jarig zijn kiezen wat voor leuks ze die dag met de klas gaan doen zoals een kwartier langer buiten spelen, tekenen of een toneelstukje maken …
- Ze laten ouders niet betalen voor schoolreisjes maar zorgen voor kosteloze uitjes zoals een speurtocht door de wijk of naar een speeltuin gaan een wijk verderop
- Ze richten geen schoolband op maar organiseren een leerorkest waarin alle leerlingen een instrument leren bespelen
- Ze vragen niet naar vakantieverhalen maar waarom de kinderen blij zijn om terug op school te zijn
- Ze laten spreekbeurten niet meer thuis voorbereiden maar op school zodat alle leerlingen evenveel hulp krijgen
Naast deze en andere lessen, heeft Cordula Rooijendijk ook nog een paar lessen voor het ministerie van onderwijs zoals het verbieden van zzp’ers (zelfstandigen zonder personeel) in het onderwijs, te kleine scholen opheffen, bijlesbureaus verbieden en monoculturele scholen ontmoedigen. Ze doet ook een oproep om het vakmanschap van leraren te herwaarderen. Dit door hen meer tijd te geven zodat ze zich kunnen focussen op een goede voorbereiding, het geven van uitstekende lessen, het aanpassen van lesstof op het niveau van het kind en bijscholing.
Conclusie
Een zeer lezenswaardig boek met interessante inzichten die van toepassing zijn voor het secundair/voortgezet onderwijs. Hier en daar trekt de auteur iets minder onderbouwde conclusies zoals dat je het beste onderwijs op zwarte scholen vindt of dat de kwaliteit in (te) kleine scholen matig is. Fijn dat ze af en toe ook provoceert en zo dingen in beweging probeert te krijgen. Het boek zorgt er voor dat je als lezer of onderwijsprofessional met een andere bril naar gekleurde scholen kijkt en dat je goesting krijgt om er op bezoek te gaan. Er valt immers heel wat mosterd te halen. Daarnaast eindigt ze mooi met een oproep om met elkaar in gesprek te blijven gaan, naar elkaar te blijven luisteren, de ander proberen te begrijpen en vooral niet te polariseren. Het boek leest heel vlot en is uitgegeven bij atlas contact.
Inclusief onderwijs is de motor van een inclusieve samenleving – Beno Schraepen
Beno Schraepen daagt ons uit om inclusie niet langer te zien als een technisch-pedagogisch vraagstuk, maar als een fundamentele mensenrechtenkwestie. De muren tussen regulier en buitengewoon onderwijs weerspiegelen hoe we als samenleving omgaan met diversiteit. Dit relaas dwingt ons tot de vraag: durven we de school te herontwerpen als een plek waar werkelijk iedereen erbij hoort, of blijven we pleisters plakken op een uitsluitend systeem?
Elk land in Europa doet het beter op vlak van inclusief denken dan België. We staan dan ook het meest onderaan in de rangschikking van inclusieve maatschappijen. Ook al denken we minder vanuit exclusie en segregatie, we denken nog veel vanuit integratie. Dat is wezenlijk verschillend van inclusie.
Bij integratie is de mindset: de ander moet integreren; zij moeten zich aanpassen aan ons. Anders wordt het voor ons te lastig.
Voor een aantal mensen lukt dit niet. Het is immers moeilijk om te integreren in een samenleving die dat niet wil of die daar geen inspanningen voor doet. Denk bijvoorbeeld aan aangepaste bankautomaten. Inclusie gaat uit van wederzijdse aanpassing. Als we inclusief denken moeten we alert zijn voor het nog alom tegenwoordige integratiedenken.
Beno Schraepen, orthopedagoog, ervaringsdeskundige in het buitengewoon onderwijs en docent/onderzoeker aan de AP Hogeschool, doet sinds jaren onderzoek over inclusie op vlak van onderwijs. Volgens hem hebben we in onderwijs de inclusieboot gemist onder andere omdat we over een sterk buitengewoon onderwijs beschikken. In Noorwegen bijvoorbeeld bestaat het buitengewoon onderwijs al meer dan 30 jaar niet meer. Ook in andere landen zitten leerlingen met ASS in het gewoon onderwijs. Inclusief onderwijs wordt bij ons ook nog niet beloond. Scholen krijgen extra middelen omdat leerlingen (v.b. type 9) apart zitten. Het M-decreet heeft niet veel opgeleverd. Voordien zaten er 50000 leerlingen in het buitengewoon onderwijs, nu is dat aantal opgelopen tot 52000. Anderzijds, als je het buitengewoon onderwijs in Vlaanderen zou afschaffen, dan heb je maar 4% meer leerlingen in het gewoon onderwijs.
Beno Schraepen - foto: Kristof Ghyselinck)
Het heeft volgens Beno ook geen zin om systemen van andere landen te kopiëren. Elk land of regio heeft zijn eigen context, historiek en systeem. Het is wel duidelijk dat heel wat onderwijsprofessionals kennis ontbreken over inclusief onderwijs, over hoe je leraren daarbij coacht en over hoe je interprofessioneel samenwerkt (school, CLB, leersteuncentra). Daarbij is het ook belangrijk dat ondersteuning zich onderscheidt van zorg en GON.
Scholen hebben nood aan een visie op inclusie
Inclusie biedt voordelen voor alle leerlingen. Alle onderzoekers zijn het erover eens dat ondersteuning voor specifieke leerlingen geen negatieve effecten heeft op andere leerlingen. Integendeel, hun leerkansen vergroten daardoor en ze worden beter voorbereid op een diverse maatschappij. Scholen denken dus best na over hoe ze echt inclusief kunnen zijn en hoe ze dat in hun schoolcultuur kunnen inbedden:
- Hoe kunnen we ons schoolteam bewust maken van het belang van inclusie?
- In welke mate kunnen we onze leraren hierin laten professionaliseren?
- In welke mate kunnen onze leerlingen elkaar helpen?
- In welke mate kunnen ouders volwaardig participeren tijdens de schooluren?
- Welke vrijwilligers(organisaties) kunnen we inschakelen?
- Kunnen we atelierwerk organiseren?
- Welke andere hulpbronnen hebben we ter beschikking?
- Hoe nemen we in onze school eigenaarschap over inclusie?
- Lopen we eerst een traject handelingsgericht werken alvorens we een gemotiveerd verslag voor externe leersteun opstellen?
- Hoe kunnen we de bereidheid scheppen om een inclusieve context te creëren?
- Hoe kunnen we beter met UDL of redelijke aanpassingen omgaan?
Het is belangrijk om deze visie te ontwikkelen in samenspraak met het CLB en het leersteuncentrum waarmee je als school samenwerkt.
“Trek een cirkel van een paar kilometer rond je school en kijk welke organisaties er kunnen komen helpen”
Meer dan zorg
Het zorgcontinuüm kan zorgen voor eilanden waardoor leerlingen in sommige scholen gemakkelijk doorgeschoven worden naar CLB en naar het leersteuncentrum.
Er zijn geen exacte cijfers maar bij vermoedelijk de helft van de leerlingen die momenteel via leersteuncentra ondersteund worden, gaat het over basiszorg die de school zelf kan opnemen. Het is een belangrijke oefening voor scholen om dit te bestuderen en te kijken wat nodig is om dit zelf te kunnen opnemen:
- Hoe kunnen we onze kennis over handelingsgericht werken verhogen?
- Welke andere professionalisering (werkvormen, kennis …) hebben onze leraren nodig?
- Welke aanpassingen kunnen we doen in onze school en in onze klassen?
- In welke mate kunnen we onze leersteunuren beter en gerichter inzetten?
- Hoe gaan we van een gefragmenteerde ad hoc aanpak naar een duurzame en integrale samenwerking met CLB en leersteuncentrum/ondersteuner?
- Hoe kunnen we in onze school de basisvoorwaarden voor inclusie realiseren?
- Hoe kunnen we de bereidheid bij onze leraren verhogen om extra hulpbronnen te activeren?
- Hoe zorgen we dat leraren bereid zijn om zich verder te professionaliseren?
- Is wat we bieden toereikend of kunnen we als school nog meer doen?
Dit vergt ook het versterken van twee belangrijke competenties in het schoolteam:
- Ethische competenties.=> Hoe gaan we om met verschillen? Met welke partners werken we hiervoor samen? Hoe ziet die samenwerking er dan uit?
- Creatieve competentie => Hoe worden we sterker in het oplossen van problemen? Hoe vinden we minder voor de hand liggende oplossingen?
Ga in gesprek met CLB en leersteuncentrum
- Welke rol kunnen zij spelen in het realiseren van een inclusieve visie op onze school?
- Hoe kunnen wij samen zorgen voor een meer kwalitatieve ondersteuning voor zij die het nodig hebben?
- Hoe kunnen wij zorgen voor de basisvoorwaarden voor inclusie of hoe kunnen we die voorwaarden samen creëren?
- Hoe kunnen we zelfredzamer worden op vlak van inclusie?
- Welke hulpbronnen kunnen we samen activeren?
- Hoe kunnen we zorgen voor 1 aanspreekpunt en zo de impact van leersteun vergroten?